ECLI:NL:RBDHA:2026:644
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag voor kort verblijf op basis van onvoldoende bewijs van familiebanden en sociale binding
In deze zaak hebben eisers, geboren in Eritrea en woonachtig in Ethiopië, een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf in Nederland om hun dochter, die in Nederland een asielvergunning heeft, te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken heeft hun aanvraag afgewezen, omdat eisers niet voldoende bewijs hebben geleverd van hun familierechtelijke relatie met de referente en omdat er redelijke twijfel bestaat over hun voornemen om Nederland tijdig te verlaten. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar is door de minister kennelijk ongegrond verklaard zonder hen te horen. De rechtbank heeft het beroep van eisers behandeld en geconcludeerd dat de minister in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende beoordelingsruimte heeft en dat het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de overgelegde documenten niet voldoende zijn om de familierechtelijke relatie aan te tonen en dat de sociale en economische binding van eisers met Ethiopië onvoldoende is om aan te nemen dat zij na hun verblijf in Nederland zullen terugkeren. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de visumaanvraag.