ECLI:NL:RBDHA:2026:644

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL25.22511
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag voor kort verblijf op basis van onvoldoende bewijs van familiebanden en sociale binding

In deze zaak hebben eisers, geboren in Eritrea en woonachtig in Ethiopië, een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf in Nederland om hun dochter, die in Nederland een asielvergunning heeft, te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken heeft hun aanvraag afgewezen, omdat eisers niet voldoende bewijs hebben geleverd van hun familierechtelijke relatie met de referente en omdat er redelijke twijfel bestaat over hun voornemen om Nederland tijdig te verlaten. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar is door de minister kennelijk ongegrond verklaard zonder hen te horen. De rechtbank heeft het beroep van eisers behandeld en geconcludeerd dat de minister in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende beoordelingsruimte heeft en dat het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de overgelegde documenten niet voldoende zijn om de familierechtelijke relatie aan te tonen en dat de sociale en economische binding van eisers met Ethiopië onvoldoende is om aan te nemen dat zij na hun verblijf in Nederland zullen terugkeren. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de visumaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22511

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer: [V-nummer 1] , en

[eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer 2]
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. E.N. Hanks-Spijkerman).

Inleiding

In het besluit van 22 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om verlening van een visum voor kort verblijf kennelijk ongegrond verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op een zitting behandeld. Eisers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ook was aanwezig [referente] , referente.

Beoordeling door de bestuursrechter

1. Eisers zijn geboren op respectievelijk [datum 1] 1960 en [datum 2] 1956 en hebben de Eritrese nationaliteit. Zij wonen in Ethiopië. Op 14 oktober 2024 hebben zij bij verweerder aanvragen ingediend om verlening van een visum voor kort verblijf. Daarbij hebben zij gesteld dat referente hun dochter is en dat zij haar willen komen bezoeken. Referente is in Nederland in het bezit van een asielvergunning.
2. In het besluit van 31 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvragen afgewezen. Eisers hebben bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Dit betekent dat verweerder eisers niet heeft gehoord over hun bezwaar, en dat verweerder niet op het primaire besluit is teruggekomen. Wat eisers in bezwaar hebben aangevoerd, onder meer met het invullen van de door verweerder toegezonden vragenlijst, is voor verweerder geen aanleiding geweest om een ander standpunt in te nemen. Omdat eisers de gestelde familierelatie met referente niet hebben aangetoond, zijn volgens verweerder het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf van eisers in Nederland ook niet aangetoond. Omdat eisers slechts geringe sociale en economische binding hebben met Ethiopië, bestaat er volgens verweerder redelijke twijfel over het voornemen van eisers om Nederland vóór het aflopen van de visa weer te verlaten.
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit. Zij voeren aan dat zij hebben aangetoond aan alle voorwaarden te voldoen. In Eritrea is documentatie omtrent familieband niet goed geregeld, en referente kan niet bij de Eritrese autoriteiten om documenten vragen gelet op haar asielstatus. Wel heeft zij in haar asielprocedure al aangegeven dat eisers haar ouders zijn en hier is nooit aan getwijfeld. Daarnaast wonen er drie kinderen van eisers in Ethiopië en bezitten zij daar een koopwoning, zodat in voldoende mate sprake is van sociale en economische binding. Bij de aanvragen heeft referente al de garantie gegeven dat eisers na een kort familiebezoek zullen terugkeren. Het bezwaar is dan ook volgens eisers ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard.
4. In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit juist is. De overgelegde kopieën van de identiteitskaart van eiser en de doopakte van referente zijn onvoldoende om de familierechtelijke relatie alsnog aannemelijk te maken. Daarnaast blijkt uit het algemeen ambtsbericht inzake Eritrea van december 2023 (AAB) dat elke regio in Eritrea een bevolkingsregister bijhoudt, waar eisers zelf documenten hadden kunnen opvragen. Dat er drie meerderjarige kinderen van eisers in Ethiopië wonen en dat zij daar een huis bezitten, is onvoldoende om sociale en economische binding aan te nemen. Hierbij verwijst verweerder naar de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 11 juli 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:23862) en 6 november 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:19940).
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In Verordening (EG) Nr. 810/2009 (de Visumcode) is bepaald op welke gronden een visum wordt geweigerd. Artikel 32 bepaalt in dit kader onder meer dat de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf moet aantonen, en dat er geen redelijke twijfel mag bestaan over het voornemen van de aanvrager om tijdig vóór het verstrijken van het aangevraagde visum terug te keren. Verweerder komt bij het beoordelen hiervan een ruime beoordelingsruimte toe. De rechtbank kan daarom het bestreden besluit slechts terughoudend toetsen. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland (ECLI:EU:C:2013:862). Dit betekent dat de rechtbank geen eigen oordeel in de plaats mag stellen van het bestreden besluit, maar dat wel getoetst moet worden of het bestreden besluit voldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd is.
6. Na een verzoek daartoe van de rechtbank, heeft verweerder de stukken uit het asieldossier van referente als op deze zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Uit deze stukken blijkt dat referente tijdens haar asielprocedure consistent heeft verklaard dat eisers haar ouders zijn en dat er nooit reden is geweest om hieraan te twijfelen. Het kan aan referente niet worden tegengeworpen dat zij geen bewijsstukken van deze familierechtelijke relatie heeft overgelegd. In een asielprocedure is dit namelijk niet vereist en sinds referente een asielvergunning heeft gekregen kan niet van haar worden verlangd om contact op te nemen met de autoriteiten van haar land van herkomst. Hoewel uit het AAB blijkt dat elke regio in Eritrea een bevolkingsregister bijhoudt, blijkt daaruit ook dat niet iedere Eritreeër daarin geregistreerd staat. Dit heeft verweerder niet onderkend. Hoewel eisers niet met bewijsstukken hebben onderbouwd dat het voor hen niet mogelijk is om alsnog aan officiële documenten over de familierelatie met referente te komen, heeft verweerder zich er anderzijds ook niet van vergewist in hoeverre hiertoe voor eisers, die al lange tijd in Ethiopië wonen, in algemene zin mogelijkheden bestaan. Verder hebben eisers in het visumdossier duidelijk aangegeven dat zij naar Nederland willen komen voor een kort familiebezoek aan referente. Zoals verweerder ter zitting ook heeft onderkend, bevat het visumdossier op dit punt geen contra-indicaties. Weliswaar worden identiteitskaarten en doopaktes niet opgemaakt om een familierechtelijke relatie vast te leggen, maar de gegevens op de door eisers overgelegde stukken zijn wel consistent met wat zij en referente hebben verklaard. Al met al heeft verweerder daarom niet in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat eisers het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf in Nederland niet hebben aangetoond.
7. Verweerder heeft echter wel het standpunt kunnen innemen dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om tijdig terug te keren. Niet in geschil is dat de meerderjarige kinderen van eisers die in Ethiopië wonen zelfstandig zijn en geen zorg van eisers nodig hebben. Evenmin is in geschil dat niet is gebleken van substantiële sociale of maatschappelijke verplichtingen van eisers in Ethiopië. Ook niet in geschil is dat eisers in Ethiopië geen werk of regelmatig inkomen hebben. In deze omstandigheden heeft verweerder kunnen overwegen dat het enkele bezit van een koophuis in Ethiopië slechts een geringe binding betekent.
8. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste Nederlandse rechter in vreemdelingenzaken, heeft in haar uitspraak van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1918) benadrukt dat de indiener van een bezwaarschrift in beginsel door het bestuursorgaan daarover gehoord moet worden. Dit laat echter onverlet dat artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat hierop een uitzondering mogelijk is als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dit betekent dat er geen twijfel bestaat dat een bezwaarschrift niet leidt tot een ander oordeel dan in het primaire besluit is vervat. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder deze uitzonderingsgrond in deze zaak mogen toepassen. Het feit dat verweerder in de bezwaarfase aan eisers een vragenlijst heeft toegezonden betekent op zich niet dat er wel aanleiding was tot twijfel. Het gaat namelijk om een standaard vragenlijst die als bijlage is meegezonden met de brief die verweerder op grond van artikel 6:6 van de Awb moest verzenden om eisers in de gelegenheid te stellen hun bezwaarschrift alsnog van gronden te voorzien.
9. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Het bestreden besluit blijft in stand.
10. Om die reden bestaat er geen aanleiding voor vergoeding van de door eisers gemaakte proceskosten of van de door eisers betaalde griffierechten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 14 januari 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.