ECLI:NL:RBDHA:2026:6311
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid telefonische bedreigingen
Eiser diende op 18 december 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister op 27 november 2025 werd afgewezen. Eiser voerde aan dat hij en zijn gezin vanaf oktober 2023 telefonische doodsbedreigingen van de regering ontvingen, wat de basis vormde voor zijn asielverzoek.
De rechtbank beoordeelde de afwijzing aan de hand van de beroepsgronden, waarbij onder meer werd gekeken naar de toepassing van de werkinstructie WI 2024/6 en de geloofwaardigheidstoets volgens artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet. Hoewel de rechtbank oordeelde dat de minister het besluit onzorgvuldig had voorbereid door toepassing van WI 2024/6, concludeerde zij dat dit niet automatisch tot strijdigheid met het Unierecht leidt en dat in deze zaak de minister voldoende gemotiveerd had waarom het relaas niet geloofwaardig was.
De rechtbank stelde vast dat de minister terecht had geoordeeld dat de verklaringen van eiser en zijn zoon onvoldoende waren onderbouwd en vooral gebaseerd waren op vermoedens. Ook het ontbreken van objectief bewijs en het feit dat eiser zonder problemen een paspoort kreeg en kon uitreizen, ondermijnden de geloofwaardigheid van het asielmotief.
De rechtbank concludeerde dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden had betrokken en het beroep ongegrond verklaarde. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Deze hersteluitspraak vervangt een eerdere uitspraak waarin een onjuiste overweging was opgenomen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende geloofwaardigheid van het asielmotief.