Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6302

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
SGR 26/884
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen door UWV in medische WIA-uitkeringszaak

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft Stichting Zorgpartners Midden-Holland beroep ingesteld tegen het UWV wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar tegen een WIA-uitkeringsbesluit. De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn van negen weken, zoals bepaald in artikel 8:55d Awb, heeft overschreden en dat het UWV sinds de ingebrekestelling op 1 oktober 2025 niet heeft beslist.

Het UWV voert aan dat het tekort aan verzekeringsartsen de vertraging veroorzaakt. De rechtbank erkent dat in zaken waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is sprake kan zijn van een bijzonder geval conform artikel 8:55d, derde lid, Awb, maar hanteert een termijn van maximaal negen weken na verzending van de uitspraak voor het nemen van een besluit. Deze termijn is opgebouwd uit zes weken voor de medische beoordeling en drie weken voor het besluit.

De rechtbank wijst het verzoek van het UWV om een langere termijn te hanteren af, omdat het UWV onvoldoende heeft onderbouwd waarom van de eigen systematiek moet worden afgeweken. De rechtbank legt een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €15.000 en veroordeelt het UWV tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiseres.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en de rechtbank beschouwt het beroep als van lichte aard. De uitspraak sluit aan bij eerdere jurisprudentie van de rechtbank Den Haag en Rotterdam over het tekort aan verzekeringsartsen en de gevolgen daarvan voor beslistermijnen.

Uitkomst: Het UWV moet binnen negen weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit nemen en betaalt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/884

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen

Stichting Zorgpartners Midden-Holland, uit Gouda, eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,het Uwv (gemachtigde: [gemachtigde 2]).

Inleiding

1. In het besluit van 25 februari 2025 heeft het Uwv een beslissing genomen over de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) van [naam], (ex-)werknemer van eiseres. In deze beslissing staat dat de hoogte van de WIA-uitkering niet wijzigt. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.1.
Eiseres heeft op 23 januari 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het bezwaar.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 1 oktober 2025 zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.
3. Het Uwv heeft op 3 december 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.
4. Omdat het Uwv nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet het Uwv dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.1.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht het Uwv te sommeren een beslissing te nemen.
4.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden omdat het Uwv kampt met een groot tekort aan verzekeringsartsen.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
4.4.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. [2]
4.5.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
5. Het Uwv verzoekt om bij het bepalen van de beslistermijn de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025 in overweging te nemen. [4] Volgens die uitspraken is er gelet op het structurele tekort aan verzekeringsartsen sprake van een bijzonder geval, en dient het Uwv in dit soort zaken alsnog een besluit bekend te maken binnen 30 weken bij een werknemersberoep en binnen 40 weken bij een werkgeversberoep, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen heeft ontvangen. Eiseres heeft hiertegen aangevoerd dat aan de uitspraak van de rechtbank Rotterdam geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend voor dit beroep. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam was gebaseerd op de specifieke omstandigheden in die zaak, en kan dus niet als algemene rechtvaardiging voor termijnoverschrijdingen gelden. Daarnaast blijkt volgens eiseres uit jurisprudentie dat structurele capaciteitstekorten zoals het tekort aan verzekeringsartsen in beginsel niet kunnen worden aangemerkt als een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Algemene Wet Bestuursrecht. Dergelijke problemen komen voor risico van het Uwv.
5.1.
Zoals onder 4.5 is overwogen heeft deze rechtbank met de uitspraken van 31 maart 2025 bepaald hoe zij omgaat met dit soort beroepen waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is. De rechtbank hanteert een andere systematiek dan de rechtbank Rotterdam. Het Uwv heeft niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent de werkdruk op dit moment van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee. [5] De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen.
6. In dit beroep heeft het Uwv aangegeven dat nog niet kan worden aangegeven wanneer een beslissing op bezwaar zal kunnen worden genomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
7. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een dwangsom op te leggen. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. [6]
8. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
9. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank doet vandaag uitspraak in de beroepen met zaaknummers SGR 26/656 en SGR 26/884. De rechtbank beschouwt deze beroepen als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De beroepen in die zaken zijn door de bestuursrechter namelijk gelijktijdig behandeld, en in die zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat dit beroep van licht gewicht is, omdat het beroepschrift is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het beroep van eenvoudige aard is. [7] De proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dus vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 (licht)). In verband met de samenhang wordt aan elke zaak de helft toegekend. Daarmee bedraagt de kostenvergoeding in de onderhavige zaak € 233,50 (1/2 x € 467,-).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
2.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.
4.Uitspraken van de Rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9224, en ECLI:NL:RBROT:2025:9226.
6.https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2288.