In deze bestuursrechtelijke zaak heeft Stichting Zorgpartners Midden-Holland beroep ingesteld tegen het UWV wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar tegen een WIA-uitkeringsbesluit. De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn van negen weken, zoals bepaald in artikel 8:55d Awb, heeft overschreden en dat het UWV sinds de ingebrekestelling op 1 oktober 2025 niet heeft beslist.
Het UWV voert aan dat het tekort aan verzekeringsartsen de vertraging veroorzaakt. De rechtbank erkent dat in zaken waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is sprake kan zijn van een bijzonder geval conform artikel 8:55d, derde lid, Awb, maar hanteert een termijn van maximaal negen weken na verzending van de uitspraak voor het nemen van een besluit. Deze termijn is opgebouwd uit zes weken voor de medische beoordeling en drie weken voor het besluit.
De rechtbank wijst het verzoek van het UWV om een langere termijn te hanteren af, omdat het UWV onvoldoende heeft onderbouwd waarom van de eigen systematiek moet worden afgeweken. De rechtbank legt een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €15.000 en veroordeelt het UWV tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiseres.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en de rechtbank beschouwt het beroep als van lichte aard. De uitspraak sluit aan bij eerdere jurisprudentie van de rechtbank Den Haag en Rotterdam over het tekort aan verzekeringsartsen en de gevolgen daarvan voor beslistermijnen.