ECLI:NL:RBDHA:2026:620

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
NL24.26812
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet tijdig besluit herhaalde asielaanvraag met proceskostenveroordeling

Eiser diende op 4 augustus 2020 een herhaalde asielaanvraag in die op 3 november 2023 buiten behandeling werd gesteld. De rechtbank verklaarde eerdere beroepen tegen dit besluit en tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond en gaf de minister termijnen om alsnog te beslissen.

Het tweede beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit werd aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de maximale dwangsom nog niet was bereikt. Na verzet werd dit oordeel op 8 januari 2025 herzien en het onderzoek heropend. Vervolgens stelde de minister de aanvraag buiten behandeling wegens afwezigheid van eiser bij een asielgehoor.

De rechtbank oordeelt dat nu de minister op 6 juni 2025 een besluit heeft genomen, het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit geen procesbelang meer heeft en daarom niet-ontvankelijk is. Gezien de goede gronden voor het beroep veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten van €467,-. Het onderzoek wordt gesloten.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26812

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
,hierna: verweerder, (gemachtigde: mr. Y. Verheugd).

Procesverloop

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het tweede beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn herhaalde asielaanvraag.
1.1
Eiser heeft op 4 augustus 2020 een herhaalde asielaanvraag ingediend.
1.2
Deze asielaanvraag is bij besluit van 3 november 2023 buiten behandeling gesteld.
1.3
Bij uitspraak (NL23.34796) van deze rechtbank van 1 december 2023 is het beroep tegen het buiten behandeling stellen van deze asielaanvraag gegrond verklaard en is verweerder opgedragen binnen 12 weken een nieuw besluit te nemen.
1.4
Bij uitspraak (NL24.10786) van deze rechtbank van 29 mei 2024 is het eerste beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op deze asielaanvraag gegrond verklaard en is verweerder opgedragen om binnen twee weken te beslissen.
1.5
Bij uitspraak van 1 oktober 2024 (NL24.26812, bestreden uitspraak) is het tweede beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat de maximale dwangsom op het moment van indienen van het beroep nog niet was volgelopen.
1.6
Tegen de bestreden uitspraak heeft eiser verzet gedaan bij de bestuursrechter.
1.7
Verweerder heeft een schriftelijke reactie uitgebracht op dit verzet.
1.8
De rechtbank heeft het verzet op 8 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
1.9
De rechtbank heeft het verzet bij mondelinge uitspraak op de zitting van 8 januari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:984) gegrond verklaard, waardoor de bestreden uitspraak van 1 oktober 2024 is vervallen.
1.1
De rechtbank heeft partijen op grond van artikel 8:55, tiende lid, sub b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op deze verzetszitting onmiddellijk gehoord over het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit en vervolgens het onderzoek gesloten.
1.11
Na de zitting werd de rechtbank bekend met het feit dat op 18 december 2024 uitspraak was gedaan in een derde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit (NL24.38130) van eiser. Naar aanleiding van deze nieuwe feiten en omstandigheden en mede gelet op het verhandelde ter zitting van 8 januari 2025, heeft de rechtbank het onderzoek bij beslissing van 28 januari 2025 heropend en zijn partijen opgedragen om de rechtbank te informeren over de planning en voortgang van deze asielprocedure.
1.12
Omdat eiser niet bij het geplande asielgehoor van 28 maart 2025 was verschenen, heeft verweerder de asielaanvraag bij besluit van 30 mei 2025 buiten behandeling gesteld.
1.13
De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank telefonisch medegedeeld dat hij geen contact meer heeft met zijn cliënt, dat van het indienen van nadere beroepsgronden tegen het besluit van 30 mei 2025 wordt afgezien en dat geen nadere zitting meer is gewenst.
1.14
Ook de gemachtigde van verweerder heeft telefonisch aangegeven dat verweerder geen nadere zitting meer wenst en zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.
1.15
De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit

2. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b van de Awb wordt voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend, zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de uitspraak van 29 mei 2024 is opgedragen om binnen een termijn van twee weken na de bekendmaking van die uitspraak opnieuw een besluit te nemen. Op grond van vaste rechtspraak [1] van de hoogste bestuursrechter is een schriftelijke ingebrekestelling van eiser in dat geval niet vereist.
De rechtbank stelt vast dat verweerder hiermee ten laatste op 12 juni 2024 op de aanvraag kon beslissen en dat dit beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit daarmee in beginsel op goede gronden is ingediend.
4. Echter, gebleken is dat verweerder inmiddels op de asielaanvraag van eiser heeft beslist met het besluit van 6 juni 2025. Volgens vaste jurisprudentie [2] van de hoogste bestuursrechter betekent dit dat eiser momenteel geen procesbelang meer heeft bij een uitspraak op een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dit beroep is daarom niet-ontvankelijk.
5. Omdat eiser echter in beginsel op goede gronden beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft ingesteld, bestaat er in dit geval aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen die eiser redelijkerwijze heeft moeten maken voor de behandeling van dit beroep. De rechtbank stelt dit bedrag vanwege door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,-, wegingsfactor 0,5). Er wordt in deze zaak geen punt toegekend voor het verschijnen ter zitting, omdat het verzet en het beroep samen op zitting zijn behandeld en in de uitspraak voor het verzet al proceskostenvergoeding voor de zitting is toegekend. De rechtbank acht deze zaak van licht gewicht, omdat het enkel gaat over het bepalen van de overschrijding van de beslistermijn en past daarom wegingsfactor 0,5 toe. Verweerder dient dit bedrag aan de gemachtigde van eiser te betalen.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en de uitspraak is verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak staat hierboven vermeld.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3348.