Eiseres, van Kameroense nationaliteit, diende een herhaalde aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, stellende dat zij vanwege haar lesbische geaardheid vervolging in Kameroen vreest. Eerder was haar asielaanvraag afgewezen wegens ongeloofwaardigheid van haar seksuele gerichtheid. De minister achtte in het bestreden besluit haar identiteit geloofwaardig, maar niet haar seksuele gerichtheid, en wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond.
De rechtbank overwoog dat bij opvolgende aanvragen een verzwaarde bewijslast geldt indien eerdere verklaringen ongeloofwaardig zijn bevonden. De minister heeft de verklaringen van eiseres over haar relatie met haar partner als oppervlakkig en onvoldoende onderbouwd beoordeeld. Ook de late overlegging van een brief van haar partner en het ontbreken van verklaringen in andere procedures versterkten het oordeel van ongeloofwaardigheid.
De rechtbank concludeert dat de minister de seksuele gerichtheid terecht ongeloofwaardig heeft geacht en dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter N.M. Spelt op 12 maart 2026.