ECLI:NL:RBDHA:2026:5885

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
NL26.7556
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 OpvangrichtlijnArt. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister onvoldoende gemotiveerd bij niet in behandeling nemen opvolgende asielaanvraag wegens interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiseres diende op 10 augustus 2025 een asielaanvraag in die de minister op 10 februari 2026 niet in behandeling nam, omdat België verantwoordelijk zou zijn volgens de Dublinverordening. Eiseres betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mag worden vanwege problemen in de opvang en rechtsbescherming in België, vooral voor opvolgende aanvragen zoals de hare.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij ondanks de problemen in België toch op het vertrouwensbeginsel mag steunen. Uit landeninformatie en rapporten blijkt dat asielzoekers met opvolgende aanvragen vaak geen toegang tot opvang krijgen en dat effectieve rechtsbescherming ontbreekt. De minister verwees onvoldoende naar concrete redenen om het vertrouwensbeginsel toe te passen.

De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op binnen vier weken een nieuw besluit te nemen. De proceskosten van eiseres worden vergoed. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in asielzaken.

Uitkomst: Het besluit van de minister om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7556

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. [1] Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij in het geval van eiseres voor België mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit landeninformatie blijkt namelijk van problemen in de toegang tot opvangvoorzieningen en rechtsbescherming voor asielzoekers die een opvolgende aanvraag indienen, en de minister niet heeft uitgelegd waarom hij voor België ondanks deze problemen mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop van deze zaak. Onder 3 staat hoe het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag tot stand is gekomen. De beoordeling van de beroepsgronden volgt vanaf overweging 4. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 10 augustus 2025 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 10 februari 2026 niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.7557, op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dat verzoek geaccepteerd.
Mag de minister voor België uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiseres betoogt dat de minister voor België niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat tekortkomingen in de Belgische opvangvoorzieningen bestaan. In België lopen niet alleen alleenstaande mannen, maar ook vrouwen en kwetsbare personen het risico om van opvang verstoken te blijven en op straat te belanden. Zij lopen hierdoor een risico om slachtoffer te worden van misbruik. Daar komt nog eens bij dat de Belgische autoriteiten het opvangbeleid hebben verscherpt, waardoor opvang wordt geweigerd aan asielzoekers die een opvolgende asielaanvraag indienen. [3] In het geval van eiseres moet worden aangenomen dat haar asielaanvraag als ‘opvolgend’ zal worden aangemerkt. Klagen bij de Belgische autoriteiten heeft volgens eiseres geen zin, omdat deze – ook in het geval van vrouwen – onverschillig tegenover de problemen in de opvangvoorzieningen staan. Mede daarom heeft de zittingsplaats Amsterdam van deze rechtbank al eens geoordeeld dat de minister in het geval van vrouwen voor België niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [4] Dat eiseres eerder opvang heeft genoten, is volgens haar niet van belang. Daarmee is immers – gelet op de hiervoor aangehaalde landeninformatie – niet gezegd dat zij bij terugkeer óók opvang zal krijgen.
4.1.
Het betoog van eiseres slaagt. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij in het (concrete) geval van eiseres voor België mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
4.1.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de aangehaalde landeninformatie niet blijkt dat de (structurele) problematiek die in de Belgische opvangvoorzieningen voor alleenstaande mannen bestaat, ook van toepassing is op alleenstaande vrouwen als eiseres. Eiseres kon namelijk op zitting niet toelichten welke (concrete) passages uit het rapport van Amnesty International haar betoog ondersteunen en uit de e-mails van Vluchtelingenwerk Vlaanderen blijkt ook niet dat alleenstaande vrouwen in België structureel van opvang verstoken blijven. Daarom bestaat geen reden voor het oordeel dat de minister in het geval van alleenstaande vrouwen in het algemeen niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
4.1.2.
Op zitting is echter gebleken dat partijen het erover eens zijn dat een nieuwe asielaanvraag van eiseres in België zal worden aangemerkt als opvolgende aanvraag. Met betrekking tot opvolgende aanvragen blijkt uit de aangehaalde landeninformatie wel van problemen met betrekking tot (toegang tot) de opvangvoorzieningen. Hoewel de minister terecht stelt dat de Belgische autoriteiten de opvangvoorzieningen in dat geval kunnen beperken, [5] moet die beperking wel berusten op een objectieve en individueel gemotiveerde beslissing. [6] Uit de overgelegde e-mail van Vluchtelingenwerk Vlaanderen van 8 december 2025 volgt echter dat de Belgische autoriteiten “bijna altijd” volstaan met een “algemene beslissing” die slechts is gebaseerd op het feit dat sprake is van een opvolgende asielaanvraag.
4.1.3.
De minister stelt op zichzelf genomen terecht dat het in dat geval aan eiseres is om daarover te klagen bij de Belgische autoriteiten, maar het is de vraag of dat effectief mogelijk is. Eiseres heeft er immers op gewezen dat volgens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 juli 2025 de Belgische autoriteiten rechterlijke uitspraken niet naleven en asielzoekers hun recht op opvang hierdoor niet effectief bij de rechter kunnen afdwingen. [7] Gelet op de ruime formulering van dit oordeel in deze uitspraak valt niet in te zien waarom deze problematiek – zoals de minister heeft gesteld – in het geval van alleenstaande vrouwen niet aan de orde zou zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in België problemen zal (kunnen) ondervinden bij de toegang tot de opvangvoorzieningen en bij de toegang tot effectieve rechtsbescherming tegen een (eventuele) beperking of weigering daarvan.
4.1.4.
Het is in dat geval de minister om uit te leggen waarom hij voor België desondanks mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarin is hij met de enkele verwijzing naar een uitspraak van de zittingsplaats Haarlem van deze rechtbank [8] niet geslaagd, omdat die uitspraak betrekking had op een vreemdeling die nog niet eerder een asielaanvraag in België had gedaan en (dus) geen sprake was van een opvolgende asielaanvraag. Het bestreden besluit kent daarom een motiveringsgebrek en kan alleen al daarom niet in stand blijven.
Overige beroepsgronden
5. Het beroep is, gelet op wat hiervoor onder 4.1 is overwogen, gegrond. De rechtbank hoeft de overige beroepsgronden van eiseres daarom niet meer te bespreken.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de rechtbank het besluit tot niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag vernietigt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de minister een nieuw standpunt zal moeten innemen over waarom hij in het geval van eiseres voor België mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank zal de minister daarom opdragen om binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op de asielaanvraag van eiseres te nemen.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten van eiseres vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (twee punten van elk € 907). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op om binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de asielaanvraag van eiseres te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Eiseres wijst op het rapport ‘Unhoused and unheard. How Belgium’s persistent failure to provide reception violates asylum seekers’ rights’ van Amnesty International en op e-mailwisselingen tussen haar gemachtigde en Vluchtelingenwerk Vlaanderen van 8 december 2025 en 9 september 2025.
4.Eiseres wijst op Rb. Den Haag (zp Amsterdam) 24 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20649, waarin is verwezen naar ABRvS 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3305.
5.Zie artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van de Opvangrichtlijn.
6.Zie artikel 20, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn.
7.ABRvS 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3305, r.o. 5.4.2.
8.Rb. Den Haag (zp Haarlem) 26 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23938.