Eiseres diende op 10 augustus 2025 een asielaanvraag in die de minister op 10 februari 2026 niet in behandeling nam, omdat België verantwoordelijk zou zijn volgens de Dublinverordening. Eiseres betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mag worden vanwege problemen in de opvang en rechtsbescherming in België, vooral voor opvolgende aanvragen zoals de hare.
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij ondanks de problemen in België toch op het vertrouwensbeginsel mag steunen. Uit landeninformatie en rapporten blijkt dat asielzoekers met opvolgende aanvragen vaak geen toegang tot opvang krijgen en dat effectieve rechtsbescherming ontbreekt. De minister verwees onvoldoende naar concrete redenen om het vertrouwensbeginsel toe te passen.
De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op binnen vier weken een nieuw besluit te nemen. De proceskosten van eiseres worden vergoed. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in asielzaken.