ECLI:NL:RBDHA:2025:20649

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 oktober 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
NL25.28361 en NL25.28362
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vw 2000Art. 18 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit over niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens tekortkomingen opvang België

Eiseres, een alleenstaande Somalische vrouw met twee minderjarige kinderen, diende op 22 maart 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister nam deze niet in behandeling omdat België volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor haar asielprocedure. De minister baseerde dit op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en eerdere jurisprudentie die stelde dat België adequate opvang biedt.

Eiseres betwistte dit en verwees naar een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 juli 2025, waarin werd vastgesteld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België niet langer onverkort geldt vanwege structurele tekortkomingen in de opvang. Zij overhandigde ook een rapport van Amnesty International en e-mailcorrespondentie van Vluchtelingenwerk Vlaanderen waaruit blijkt dat opvang voor asielzoekers, waaronder kwetsbare groepen zoals vrouwen met kinderen, ernstig tekortschiet.

De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog van toepassing zou zijn. De eerdere uitspraak waarop de minister zich baseerde was door de Afdeling teruggenomen. De rechtbank stelde dat de minister in een nieuw besluit rekening moet houden met de opvangproblematiek en de rechten van kinderen zoals neergelegd in het Europees Sociaal Handvest.

Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 2.721,- aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.28361 (beroep) en NL25.28362 (voorlopige voorziening)
[V-Nummer 1]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres en verzoekster, hierna: eiseres

(gemachtigde: mr. M. Terpstra),
mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] ,
[V-Nummer 2] ,
en
[minderjarige 2] ,
[V-Nummer 3] ,
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. G. Erdal).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank en de voorzieningenrechter (de rechtbank) het beroep van eiseres en het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres met het bestreden besluit van 26 juni 2025 niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening, ertoe strekkende dat zij niet wordt overgedragen totdat op haar beroep is beslist.
1.2.
De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 10 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Jama als tolk in de taal Somali en de gemachtigde van de minister.
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en eiseres in de gelegenheid gesteld om een e-mail over te leggen van Vluchtelingenwerk Vlaanderen. Zij heeft dit op 10 september 2025 gedaan. De minister heeft op deze e-mail gereageerd op 18 september 2025. Vervolgens heeft eiseres op de reactie van de minister gereageerd op 23 september 2025. De rechtbank heeft daarna het onderzoek gesloten op 29 september 2025.

Overwegingen

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd. Ook beoordeelt de rechtbank het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Besluitvorming
4. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1993 en heeft de Somalische nationaliteit. Eiseres heeft twee minderjarige kinderen, geboren op [geboortedatum 2] 2023 en [geboortedatum 3] 2022, ook met de Somalische nationaliteit. Eiseres heeft op 22 maart 2025 asiel aangevraagd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
4.1.
De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 [1] . Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is gebleken dat eiseres op 13 januari 2020, 7 oktober 2021, 19 januari 2022, 13 december 2022 en 21 augustus 2024 in België een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. In het Dublin-aanmeldgehoor van eiseres van 15 april 2025 heeft zij verklaard dat België haar verzoek om internationale bescherming heeft afgewezen. Hieruit volgt dat België verantwoordelijk is voor de afhandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiseres. Nederland heeft op 17 april 2025 België verzocht om eiseres terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening. Op 30 april 2025 hebben de autoriteiten van Belgische autoriteiten het claimverzoek geaccepteerd.
4.2.
De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat ten aanzien van België kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, gelet op de uitspraak van de Afdeling [3] van 13 maart 2024 [4] . Wat betreft de opvangvoorzieningen in België heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat uit voornoemde uitspraak van de Afdeling volgt dat vanwege het gebrek aan reguliere opvangplaatsen bij de toewijzing daarvan voorrang wordt gegeven aan families, kinderen, vrouwen en andere kwetsbare personen. Na registratie van hun asielverzoeken krijgen zij onmiddellijk een opvangplaats. In diezelfde uitspraak heeft Afdeling ook overwogen dat asielzoekers die niet direct een reguliere opvangplaats krijgen toegewezen, wel gebruik kunnen maken van nood- en daklozenopvang en van medische en juridische voorzieningen. Ook heeft de Afdeling van belang geacht dat de Belgische autoriteiten zich inzetten om nieuwe reguliere opvangplaatsen te creëren en dat er bovendien geen sprake is van een totale opvangstop. De minister heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat eiseres zal terugkeren als Dublinclaimant en zij dus niet uit eigen ervaring kan stellen of verklaren over de behandeling van Dublinclaimanten bij terugkomst in België.
Standpunt en de beoordeling door de rechtbank
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiseres voert aan dat met de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025 [5] vaststaat dat niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België, nu de Afdeling heeft geoordeeld dat er sprake is van structurele tekortkomingen in de Belgische opvangvoorzieningen. Eiseres stelt dat de Afdeling verder heeft overwogen dat de Belgische autoriteiten onverschillig staan tegenover de tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en het ontbreken van toegang tot een effectief rechtsmiddel. Hoewel deze uitspraak ziet op de opvang van alleenstaande mannen, is de uitspraak volgens eiseres indicatief voor de wijze waarop België omgaat met de opvang van asielzoekers in het algemeen. Eiseres verwijst in dit verband ook naar het meest recente rapport van Amnesty International [6] en nieuwsberichten [7] waaruit volgt dat ook alleenstaande minderjarige kinderen en families met kinderen op straat terecht zijn gekomen. Eiseres stelt dat zij al twee keer eerder in België uit de opvang is geplaatst en er geen plek meer voor haar is in de daklozenopvang [naam 1] en bij [naam 2] [8] , mede vanwege de vele procedures die zij in België heeft doorlopen. Daarom is eiseres uit België vertrokken en heeft zij in Nederland asiel aangevraagd. Zij kan zich niet met haar twee minderjarige kinderen in België op straat handhaven en vreest opnieuw slachtoffer te worden van gendergerelateerd geweld, mede vanwege vrees voor de vader van haar oudste zoon. Volgens eiseres volgt uit het rapport van Amnesty International dat het risico om slachtoffer te worden van misbruik aanzienlijk toeneemt wanneer mensen op straat met niets moeten zien te overleven.
5.1.
Eiseres heeft een e-mailwisseling met Vluchtelingenwerk Vlaanderen overgelegd van 9 september 2025, waaruit volgens haar volgt dat door de verstrenging van het opvangbeleid in België, asielzoekers die een opvolgend asielverzoek hebben ingediend automatisch worden geweigerd voor de opvang. Vluchtelingenwerk Vlaanderen geeft daarnaast aan dat opvang voor families in België theoretisch wel mogelijk is, maar dat dit praktisch gezien ook steeds verder wordt ingeperkt door de Belgische autoriteiten.
5.2.
Eiseres voert verder aan dat het niet verlenen van opvang aan een alleenstaande vrouw met minderjarige kinderen altijd in strijd is met Europese regelgeving. Zo heeft eiseres in haar nadere reactie van 23 september 2025 gewezen op een uitspraak van het ECSR [9] van 20 oktober 2009 [10] . Het ECSR heeft in deze uitspraak geoordeeld dat artikel 31, tweede lid, van het ESH [11] , met betrekking tot het voorkomen van dakloosheid van kinderen, en artikel 17, eerste lid, onder c, van het ESH, met betrekking tot bescherming en speciale hulp voor het kind, van toepassing zijn op illegale kinderen en dat Nederland zich aan deze interpretatie moet houden. Dat betekent volgens eiseres dat lidstaten ook onderdak moeten bieden aan kinderen die illegaal binnen hun jurisdictie zijn, aangezien het anders in strijd zou zijn met hun menselijke waardigheid en gelet op de bijzondere kwetsbare positie van kinderen. [12] Volgens eiseres houdt Nederland zich niet aan deze verplichting als zij met haar twee minderjarige kinderen wordt overgedragen aan België, in de wetenschap dat het gezin daar het risico loopt op straat terecht te komen.
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat ten aanzien van België nog steeds uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en overweegt daartoe als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025 volgt dat ten aanzien van België, voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen, niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat er een reëel risico bestaat dat zij bij terugkeer naar België terechtkomen in een situatie die in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest [13] en artikel 3 van Pro het EVRM [14] . Uit de uitspraak van de Afdeling volgt verder dat de opvangsituatie in België in zoverre wezenlijk anders is dan ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024, nu er niet langer sprake is van tijdelijke tekortkomingen, maar van tekortkomingen die als structureel moeten worden beschouwd. [15] Verder volgt uit de uitspraak dat de Belgische autoriteiten onverschillig staan tegenover de tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en het ontbreken van toegang tot een effectief rechtsmiddel. Dit volgt mede uit de omstandigheid dat de Belgische autoriteiten rechterlijke uitspraken niet naleven en dwangsommen niet betalen. [16]
6.1.
Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, nu het wat betreft het interstatelijk vertrouwensbeginsel voornamelijk is gebaseerd op de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024. Met de uitspraak van 23 juli 2025 is de Afdeling namelijk teruggekomen van de uitspraak van 13 maart 2024, zodat niet langer onverkort van laatstgenoemde uitspraak kan worden uitgegaan. De motivering van de minister, namelijk dat asielzoekers gebruik kunnen maken van juridische voorzieningen en dat de Belgische autoriteiten zich inzetten om nieuwe reguliere opvangplaatsen te creëren en er zodoende in het algemeen geen sprake is van onverschilligheid van de Belgische autoriteiten, gaat daarom niet meer op. De rechtbank vat de nieuwe uitspraak van de Afdeling namelijk zo op, dat álle asielzoekers (inclusief vrouwen met minderjarige kinderen) niet meer effectief kunnen klagen bij de Belgische autoriteiten wat betreft hun opvang en de onverschilligheid van de autoriteiten ten aanzien van de gebrekkige opvangvoorzieningen eveneens geldt voor alle asielzoekers.
6.2.
Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank, aan de hand van het overgelegde rapport van Amnesty International, nieuwsberichten en de e-mail van Vluchtelingenwerk Vlaanderen, voldoende aanknopingspunten naar voren gebracht dat er ten aanzien van vrouwen met minderjarige kinderen ook sprake is van opvangproblematiek in België. De rechtbank gaat echter niet zo ver door te oordelen dat ten aanzien van deze kwetsbare groep niet meer mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister zal dit wel nader moeten motiveren en daarbij de bovengenoemde aanknopingspunten die naar voren zijn gebracht moeten betrekken. De minister zal in het nieuw te nemen besluit ook rekening moeten houden met hetgeen eiseres heeft aangevoerd over het recht van (illegale) kinderen op opvang in Europa, zoals volgt uit het ESH. Dit is namelijk niet door de minister betwist.
6.3.
De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank zal de minister opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres.
8. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen noodzaak tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- bij een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.28361:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 26 juni 2025; en,
  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter,
in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.28362:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank en de voorzieningenrechter, in alle zaken:
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.721,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, (voorzieningen-)rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Rapport van Amnesty International uit 2025: Unhoused and Unheard. How Belgium’s persistent failure to provide reception violates asylum seekers’ rights.
7.The Brussels Times, Belgian reception crisis: Families with children now also sleeping rough, 19 oktober 2022.
8.Het Belgische COA (Centraal Orgaan opvang asielzoekers).
9.Europees Comité voor Sociale Rechten.
10.Rolnr. 47/2008.
11.Europees Sociaal Handvest (herzien).
12.Zie paragraaf 64 van de uitspraak.
13.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
14.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
15.Zie rechtsoverweging 5.3.4 van de uitspraak.
16.Zie rechtsoverweging 5.4.2-5.5 van de uitspraak.