ECLI:NL:RBDHA:2026:5862

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
NL25.35392
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:57 AwbRichtlijn 2008/115/EGRichtlijn Tijdelijke Bescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne ongegrond verklaard

Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende derdelander die tijdelijk bescherming genoot in Nederland na vlucht uit Oekraïne, stelde beroep in tegen het besluit van de minister om zijn tijdelijke bescherming te beëindigen en hem te verplichten terug te keren naar Algerije.

De rechtbank oordeelde dat de tijdelijke bescherming conform Europese richtlijnen beëindigd mocht worden en dat het terugkeerbesluit voldoet aan de Terugkeerrichtlijn. Eiser voerde aan dat hij niet terug kan vanwege een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro in Algerije, maar dit risico werd onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd.

De rechtbank vond dat eiser geen persoonlijke omstandigheden had gesteld die het non-refoulementbeginsel in de weg staan. Ook het ontbreken van een hoorplicht werd niet aangenomen omdat eiser de mogelijkheid had om te reageren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35392

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.E. Thijssen).

Inleiding

In het besluit van 24 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek in de zaak op 5 maart 2026 gesloten. De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1994 en heeft de Algerijnse nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. Omdat er onduidelijkheid ontstond over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft verweerder de gevolgen van de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij een positieve bijdrage levert aan de Nederlandse maatschappij door te werken en het hebben van een sociaal leven. Dit is ook in de zienswijze genoemd, maar verweerder is hier niet op in gegaan in het bestreden besluit. Ook heeft hij geen strafbare feiten gepleegd. Verder kan eiser niet terugkeren naar Algerije omdat hij vreest daar slachtoffer te worden van een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden (EVRM). Hij wijst daarbij op de algehele onveilige situatie in Algerije vanwege de machtsstrijd die er heerst sinds de ‘Arabische Lente’. Hij verwijst in dat verband naar het Ambtsbericht. Eiser had hierover moeten worden gehoord. Daarnaast staat in het bestreden besluit niet aangegeven naar welk land hij moet terugkeren. Terugkeer naar Oekraïne is niet mogelijk.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836 en ECLI:NL:RBAMS:2025:4843) is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het bestreden besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet is gebleken dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het bestreden besluit vermeldt dat hij binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft, oftewel Algerije. Daarmee voldoet het bestreden besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).
5. Op grond van artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn moet bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit het beginsel van non refoulement worden geëerbiedigd.. Dat eiser bij terugkeer naar Algerije een reëel risico zou lopen om te worden blootgesteld aan ernstige schade is echter niet aannemelijk gemaakt. Hierbij weegt de rechtbank mee dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. De enkele verwijzing naar de algemene veiligheidssituatie in Algerije in verband met een gewapende strijd tussen ‘warlords’ is onvoldoende om een reëel risico aan te nemen. Eiser heeft met zijn kale verwijzing naar ‘het Ambtsbericht’ dit risico niet geconcretiseerd en onderbouwd. Verweerder voert daarnaast geen landenbeleid waaruit bedoeld risico wel zou kunnen worden afgeleid. Voor zover Algerije niet langer in het algemeen wordt beschouwd als een veilig land van herkomst, houdt dat verband met het onvoldoende waarborgen van rechten en vrijheden in dat land. Eiser heeft echter geen op hem persoonlijk betrekking hebbende feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat dat gebrek aan waarborgen voor hem relevant is in verband met het verbod op refoulement. Hij heeft die mogelijkheid wel gehad in reactie op het voornemen van verweerder tot het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Gelet hierop wordt dan ook niet gevolgd dat eiser voorafgaand aan het bestreden besluit nog nader moest worden gehoord.
6. De niet nader onderbouwde en geconcretiseerde stelling van eiser dat hij in Nederland heeft gewerkt, noch de omstandigheid dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, staan in de weg aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit, daargelaten dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat eiser steeds rekening heeft moeten houden met het tijdelijke karakter van de verleende bescherming.
7. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
8. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 16 maart 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.