ECLI:NL:RBDHA:2026:5743
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming van derdelander Oekraïne en terugkeerbesluit
Eiser, een Indiase nationaliteit dragende derdelander Oekraïne, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland na zijn vlucht uit Oekraïne vanwege de inval van Rusland in 2022. Verweerder besloot op 7 februari 2024 de tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 maart 2024, waarna eiser beroep instelde. Na prejudiciële vragen aan het HvJ EU en daaropvolgende jurisprudentie werd het beroep aangehouden en later voortgezet na een vervangend terugkeerbesluit van 5 augustus 2025.
Eiser voerde aan dat het besluit onrechtmatig was, dat hij mocht vertrouwen op voortzetting van bescherming, dat terugkeer naar India onaanvaardbaar risico inhoudt (artikel 3 EVRM Pro), en dat zijn privéleven in Nederland bescherming verdient (artikel 8 EVRM Pro). Ook stelde hij dat hij onvoldoende gelegenheid had gekregen zijn persoonlijke omstandigheden toe te lichten en dat het SIS-signaal onrechtmatig was.
De rechtbank oordeelde dat het facultatieve karakter van de tijdelijke bescherming beëindiging rechtvaardigt, dat de bevriezingsmaatregel slechts feitelijk was en geen rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel schond. Het risico bij terugkeer naar India was niet aannemelijk gemaakt, en de omstandigheden van het privéleven boden geen beschermingswaardige grondslag. Eiser had voldoende gelegenheid tot zienswijze. Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot beëindiging van tijdelijke bescherming en het terugkeerbesluit naar India wordt ongegrond verklaard.