ECLI:NL:RBDHA:2026:554

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
NL24.42547
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 29 VwArt. 34 DublinverordeningArt. 3.109d VbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen asielbesluit op grond van leeftijdsregistratie en documentonderzoek

Eiser heeft in december 2021 een asielaanvraag ingediend en stelt dat hij in 2005 is geboren, terwijl verweerder uitgaat van 2003 als geboortedatum. Na eerdere procedures waarin de rechtbank het besluit van verweerder deels vernietigde, is het bestreden besluit van oktober 2024 dat eiser een verblijfsvergunning verleent maar vasthoudt aan de geboortedatum 2003, onderwerp van dit beroep.

De rechtbank beoordeelt dat verweerder terecht de leeftijdsregistratie in Oostenrijk en Duitsland heeft betrokken, ondanks het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat niet zonder meer geldt bij leeftijdsbeoordeling. Verweerder heeft het documentonderzoek door Bureau Documenten, dat concludeert dat de door eiser overgelegde documenten waarschijnlijk frauduleus zijn, zorgvuldig en voldoende gemotiveerd toegepast.

Eiser heeft geen contra-expertise overgelegd en onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het onderzoek onzorgvuldig was. De rechtbank acht de combinatie van leeftijdsregistraties, schouwrapporten en documentonderzoek voldoende om de geboortedatum 2003 als juist aan te nemen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het asielbesluit wordt ongegrond verklaard en de geboortedatum 2003 wordt als juist aangenomen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42547

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

[V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Procesverloop

Eiser heeft op 28 december 2021 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 oktober 2024 deze aanvraag ingewilligd en eiser een asielvergunning verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. [1] Verweerder is daarbij uitgegaan van de geboortedatum [geboortedag 1] 2003.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2025 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
De rechtbank heeft op 18 juni 2025 door middel van een bericht in het digitale dossier aan verweerder verzocht om binnen vier weken het vergelijkingsmateriaal ten aanzien van de
door Bureau Documenten onderzochte documenten aan het digitale dossier toe te voegen.
In de beslissing van 22 juli 2025 heeft de geheimhoudingskamer van deze rechtbank geoordeeld dat beperking van de kennisneming van het vergelijkingsmateriaal ten aanzien van de door Bureau Documenten onderzochte documenten tot de rechtbank gerechtvaardigd is. Partijen hebben op zitting van 18 juni 2025 desgevraagd erin toegestemd dat de rechtbank mede op grond van deze stukken uitspraak doet zonder een nadere zitting.
De rechtbank heeft op 4 september 2025 het onderzoek gesloten.
De termijn voor het doen van een uitspraak is eenmaal verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag 2] 2005. Bij besluit van 15 december 2022 heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Daarbij heeft verweerder de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Dit besluit is ingetrokken op 13 november 2023. Bij besluit van 20 november 2023 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser wederom ingewilligd. De verklaringen van eiser over zijn gestelde geboortedatum, [geboortedag 2] 2005, heeft verweerder ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft daarbij vastgehouden aan de eerder in Oostenrijk opgegeven geboortedatum [geboortedag 1] 2003. Bij uitspraak van 2 april 2024 is het daartegen ingestelde beroep door de rechtbank gegrond verklaard, omdat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Oostenrijk een onjuiste datum is genoteerd. [2] Het besluit van 20 november 2023 is bij die uitspraak vernietigd, voor zover dat ziet op de gehanteerde geboortedatum [geboortedag 1] 2003.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder weliswaar aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, maar nog steeds aangenomen dat eiser is geboren op [geboortedag 1] 2003. Verweerder vindt de door eiser gestelde geboortedatum nog steeds ongeloofwaardig.
3. Eiser voert daartegen het volgende aan. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling [3] waarin is geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is als verweerder een leeftijdsregistratie in een ander EU-land bij de beoordeling van de leeftijd van een asielzoeker wil betrekken. [4] Nu in het bestreden besluit de leeftijdsregistratie in Oostenrijk als leidend wordt beschouwd en geen onderzoek is gedaan naar de wijze waarop deze leeftijdsregistratie tot stand is gekomen, meent eiser dat het bestreden besluit in strijd is met de voornoemde uitspraak van de Afdeling. In dat verband stelt eiser dat verweerder niet adequaat heeft gemotiveerd welk belang hij hecht aan de uitgevoerde schouwen en waarom hij in het licht hiervan geen leeftijdsonderzoek heeft opgestart. Verweerder heeft ook geen nader onderzoek ingesteld naar eisers leeftijd door hem te horen. Bovendien gaan de Oostenrijkse autoriteiten zelf ook niet uit van hun eigen leeftijdsregistratie. Daarbij verwijst eiser naar een afwijzing van het terugnameverzoek door de Oostenrijkse autoriteiten. Voor wat betreft de leeftijdsregistratie in Duitsland is voorts van belang dat deze ook impliceert dat eiser minderjarig was ten tijde van zijn asielaanvraag. Verder wijst eiser erop dat de door hem overgelegde documenten tweemaal zijn beoordeeld door het Bureau Documenten, waarbij de documenten bij het eerste onderzoek positief zijn beoordeeld en bij het tweede onderzoek negatief. Het is voor eiser volstrekt onduidelijk waarom een nieuw onderzoek is opgestart, zodat niet kenbaar is waarom het eerste documentonderzoek tot onjuiste conclusies zou hebben geleid. Verweerder heeft dit niet gemotiveerd in het bestreden besluit. In geval van twijfel dient namelijk aan de asielzoeker het voordeel van de twijfel te worden gegund. Tot slot wijst eiser erop dat hij een groot belang heeft bij een registratie van zijn juiste geboortedatum, omdat hij dan als een alleenstaande minderjarige vreemdeling recht heeft op gezinshereniging met onder andere zijn ouders. Voor zover verweerder eiser verwijt dat hij onduidelijkheid heeft laten ontstaan over zijn geboortedatum, geeft dat verweerder nog niet het recht om dan zelf maar de voor hem de meest gunstige geboortedatum te kiezen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser een individueel uittreksel uit het geboorteregister, een individueel uittreksel uit het bevolkingsregister en een familie-uittreksel heeft overgelegd. Die documenten zijn in eerste instantie door Bureau Documenten echt bevonden. Doordat eiser in een latere procedure andere documenten heeft ingediend, gaf dit voor verweerder aanleiding om de door eiser overgelegde documenten nogmaals te beoordelen. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom de documenten opnieuw zijn onderzocht. De rechtbank stelt vast dat uit het tweede onderzoek van 29 februari 2024 is gebleken dat de door eiser overgelegde documenten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Wat betreft de legalisatie uit de naam van het Syrische Ministerie van Buitenlandse Zaken, blijkt uit het onderzoek dat deze met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid frauduleus is verkregen.
5. Een verklaring van onderzoek van Bureau Documenten is een deskundigenadvies waarvan verweerder in beginsel mag uitgaan. Daarbij moet hij zich er wel van vergewissen dat de verklaring zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk voldoende inzichtelijk en concludent is. [5]
6. Na met toepassing van artikel 8:29 Awb Pro [6] kennis te hebben genomen van het vergelijkingsmateriaal van het tweede onderzoek van 29 februari 2024 ten aanzien van de door Bureau Documenten onderzochte documenten, komt de rechtbank tot het oordeel dat het onderzoek door Bureau Documenten zorgvuldig is geweest en dat verweerder voldaan heeft aan zijn vergewisplicht. Verweerder heeft de conclusies van Bureau Documenten aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen, omdat dit – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. Verweerder heeft zich dan ook niet ten onrechte mede gebaseerd op de conclusies van Bureau Documenten ten aanzien van de documenten. Van belang is ook dat eiser het onderzoek van Bureau Documenten niet door middel van een contra-expertise heeft weerlegd.
7. De Afdeling heeft in twee uitspraken van 9 oktober 2024 – anders dan voorheen – geoordeeld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de EU-lidstaten in het Unierecht van fundamenteel belang is, maar dat het niet van toepassing is als verweerder bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling de leeftijdsregistratie in een andere EU-lidstaat betrekt. [7] Verweerder mag dus niet zonder meer uitgaan van de juistheid van de geregistreerde leeftijd van eiser in Oostenrijk. Dit betekent niet dat geen gewicht toekomt aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling. De leeftijd van een vreemdeling zal moeten worden beoordeeld met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht, met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Daarbij zal verweerder steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Ook zal hij zo mogelijk moeten toelichten waarop de leeftijdsregistratie is gebaseerd. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal verweerder zich moeten laten informeren over de omstandigheden waaronder deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn andere verklaringen. Verweerder zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom hij uitgaat van de in Oostenrijk opgegeven datum van [geboortedag 1] 2003. Verweerder heeft in dat verband kunnen overwegen dat, anders dan eiser stelt, de conclusie dat eiser meerderjarig is, is gebaseerd op een combinatie van factoren. Uit het dossier blijkt dat eiser zich bij aankomst in Nederland heeft gemeld met de geboortedatum [geboortedag 2] 2005. Hij heeft geen identificerende documenten overgelegd waaruit zijn geboortedatum blijkt. Eiser is geschouwd door zowel een medewerker van de IND [8] als medewerkers van de AVIM [9] en bij beide schouwen is geconcludeerd dat er twijfel bestaat over de door eiser opgegeven leeftijd. Niet is gebleken dat de medewerkers van de IND en de AVIM niet deskundig zijn. Eiser heeft dit ook niet nader gemotiveerd. Gelet op deze uitkomst heeft verweerder met toepassing van artikel 34 van Pro de Dublinverordening [10] inlichtingen ingewonnen bij de Oostenrijkse autoriteiten. Uit de informatie van de Oostenrijkse autoriteiten bleek dat eiser in Oostenrijk is geregistreerd met de geboortedatum [geboortedag 1] 2003, waarbij hij zelf heeft verklaard meerderjarig te zijn. Dat de Oostenrijkse autoriteiten het terugnameverzoek van Nederland vervolgens hebben afgewezen, betekent niet dat de Oostenrijkse autoriteiten zijn teruggekomen op hun registratie. Daar blijkt enkel uit dat er twijfel bestond over de leeftijd van eiser, waardoor het verzoek is afgewezen. Verweerder heeft de registratie bij de Oostenrijkse autoriteiten mogen betrekken en kunnen stellen dat die afbreuk doet aan de gestelde minderjarigheid van eiser. Verweerder heeft voorts niet ten onrechte overwogen dat de door eiser ingediende documenten ook afbreuk doen aan de gestelde minderjarigheid. Verweerder heeft zich daarbij mogen baseren op het onderzoeksresultaat van het Bureau Documenten. Zoals onder 6 is overwogen, is een verklaring van onderzoek van het Bureau Documenten een deskundigenbericht. Eiser heeft geen contra-expertise ingebracht tegen het onderzoeksresultaat van het Bureau Documenten. Evenmin heeft hij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het onderzoek aangevoerd. Verweerder heeft dan ook kunnen overwegen dat aan deze documenten niet de waarde kan worden gehecht die eiser wenst. Sterker nog: deze documenten dragen bij aan de onduidelijkheid over eisers geboortedatum. Verweerder heeft verder kunnen overwegen dat eiser zelf inconsistenties heeft gecreëerd over zijn geboortedatum. Zo blijkt uit het Dublin-onderzoek dat eiser in Oostenrijk geregistreerd staat met een geboortedatum [geboortedag 1] 2003 en in Duitsland geregistreerd staat met een geboortedatum [geboortedag 3] 2005. Bovendien heeft eiser in Nederland [geboortedag 2] 2005 als zijn geboortedatum opgegeven en in zijn familieboekje staat als zijn geboortedatum [geboortedag 4] 2005. Deze inconsistenties doen verder afbreuk aan de door eiser gestelde minderjarigheid.
9. Verweerder heeft alle feiten en omstandigheden meegewogen bij het beoordelen van de door eiser gestelde geboortedatum en kon tot de conclusie komen dat terecht is uitgegaan van de geboortedatum van [geboortedag 1] 2003. Verweerder heeft ook geen nader (medisch) leeftijdsonderzoek hoeven te verrichten, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.109d, tweede lid, van het Vb. [11] In het geval van eiser is er immers wel sprake van een Eurodac-hit.
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 13 januari 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.NL23.38196.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1904.
6.Algemene wet bestuursrecht.
8.Immigratie- en Naturalisatiedienst.
9.Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
10.Verordening nr. (EU) 604/2013.
11.Vreemdelingenbesluit 2000.