ECLI:NL:RBDHA:2026:5517

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL25.39786
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.37d Vreemdelingenbesluit 2000Artikel 3 EVRMArtikel 15c richtlijn 2011/95/EUVreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende onderbouwing binnenlands beschermingsalternatief

Eiser, een Kameroense asielzoeker behorend tot een specifieke bevolkingsgroep, diende op 10 juli 2023 een asielaanvraag in nadat hij eerder in 2020 een aanvraag had gedaan die buiten behandeling werd gesteld. Verweerder wees de aanvraag af op grond van het bestaan van een binnenlands beschermingsalternatief in drie regio's van Kameroen.

De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze regio's daadwerkelijk als beschermingsalternatief gelden voor eiser, mede omdat niet is onderbouwd dat eiser daar geen risico op ernstige schade loopt vanwege zijn etnische achtergrond en herkomst. Verweerder baseerde zich op algemeen beleid en onduidelijke bronnen zonder rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van eiser.

De rechtbank stelt vast dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar zijn oorspronkelijke woongebied en dat het beschermingsalternatief niet adequaat is aangetoond. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en wordt verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen acht weken, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39786
[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 2025, van Kameroense nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. G. Ocak),
en:

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D.A.M. Frieser).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. De wettelijke regels die van belang zijn voor de beoordeling van het beroep, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
1.1.
Eiser heeft op 10 juli 2023 een asielaanvraag ingediend. Met het besluit van 14 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
1.2.
Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
2. Eiser heeft voor het eerst op 4 november 2020 een asielaanvraag ingediend. Nadat eiser op 16 december 2020 met onbekende bestemming is vertrokken, heeft verweerder de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld. Vervolgens is eiser op 4 juli 2023 vanuit Luxemburg overgedragen aan Nederland. Op 10 juli 2023 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend.
Het asielrelaas
3. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij tot de [naam 1] bevolkingsgroep behoort. Eiser woonde in Kameroen in een conflictgebied. Toen het conflict begon was het heel moeilijk om van het ene gebied naar het andere te gaan. Er waren veel bombardementen. Ook heeft eiser mensen dicht bij hem staan die in het leger hebben gezeten. Eiser heeft Kameroen verlaten vanwege het conflict.
Besluitvorming
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder als relevant element de ‘identiteit, nationaliteit en herkomst’. Verweerder acht dit element geloofwaardig. Er is volgens verweerder echter geen aanleiding om aan eiser bescherming te bieden, omdat eiser niet kan worden aangemerkt als een vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag [1] . Evenmin loopt eiser bij terugkeer naar Kameroen een reëel risico op ernstige schade. Dat eiser uit Kameroen komt, is op zichzelf niet genoeg om dat aan te nemen. Eiser komt uit een gebied waar sprake is van uitzonderlijke mate van willekeurig geweld, namelijk [plaats 1] . Eiser heeft in het land van herkomst echter een beschermingsalternatief, te weten [plaats 2] , [plaats 3] , en [plaats 4] . Het ontbreken van een sociaal netwerk is op zichzelf onvoldoende om het binnenlands beschermingsalternatief als onredelijk of onveilig aan te merken. Dat eiser vanwege het behoren tot de [naam 1] stam en vanwege zijn herkomst uit [plaats 1] vreest voor discriminatie, is niet onderbouwd met verifieerbare informatie. Uit openbare informatie [2] blijkt juist dat de [naam 1] stam een grote etnische groep is in Kameroen en bovendien voornamelijk gevestigd is in de drie genoemde regio’s. In [plaats 4] is de stam van eiser zelfs veruit de grootste etnische groep. Dat herintegratie moeilijk is vanwege eisers psychische gesteldheid, is eveneens onvoldoende om het binnenlands beschermingsalternatief als onredelijk aan te merken. Opgemerkt wordt dat eiser ook geen medische documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij niet in staat zou zijn om zich aan te passen aan de genoemde regio’s.
4.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond. Eiser komt verder niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier, krijgt geen uitstel van vertrek om medische redenen en dient tot slot Nederland binnen vier weken te verlaten.
Beoordeling door de rechtbank
Binnenlands beschermingsalternatief
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte uitgaat van de beschikbaarheid van een binnenlands beschermingsalternatief in [plaats 2] , [plaats 3] of [plaats 4] . Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke situatie van eiser, zijn kwetsbaarheid en de risico’s bij terugkeer. Zo heeft eiser daar geen sociaal netwerk, loopt hij risico op vervolging dan wel discriminatie vanwege zijn herkomst uit [plaats 1] en vanwege het feit dat hij tot de [naam 1] behoort. De combinatie van geografische herkomst, etniciteit, en het verblijf in het buitenland leidt tot een verhoogd risico op stigmatisering, verdenking en uitsluiting. Daarnaast is de psychische gesteldheid van eiser zodanig dat herintegratie in een onbekende omgeving zeer moeilijk is. In de aangewezen delen heeft eiser tot slot geen (toegang tot) huisvesting of werk. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar een rapport van de Finse Immigratiedienst van 30 juni 2023 en het Human Right Watch-rapport van 7 februari 2022.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM [3] als hij naar [plaats 1] reist. De vraag die voorligt is of [plaats 2] , [plaats 3] of [plaats 4] een binnenlands beschermingsalternatief is voor eiser.
5.2.
Uit rechtspraak [4] van de van de Afdeling [5] volgt dat verweerder een binnenlands beschermingsalternatief alleen mag tegenwerpen als de vreemdeling in een deel van zijn land van herkomst geen gegronde vrees heeft voor vervolging en daar ook geen reëel risico op ernstige schade loopt. Verder moet dat deel van het land toegankelijk zijn voor die vreemdeling en moet hij op een veilige en wettige manier daarnaartoe kunnen reizen. Ook moet verweerder redelijkerwijs van de vreemdeling mogen verwachten dat hij zich er vestigt. [6]
5.3.
Bij de beoordeling of een deel van het land van herkomst aan die voorwaarden voldoet, moet rekening worden gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel en de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Als verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden is voldaan, is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het beschermingsalternatief in zijn geval niet aanwezig is en dat van hem niet kan worden verlangd dat hij zich elders in het land vestigt. [7]
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft
gemaakt dat [plaats 2] , [plaats 3] en [plaats 4] te gelden hebben al beschermingsalternatief. In
het bestreden besluit is verweerder onvoldoende ingegaan op de vraag of eiser daar risico op
ernstige schade loopt, omdat hij behoort tot de [naam 1] stam en afkomstig is uit [plaats 1] . In
de besluitvorming staat allereerst nergens vermeld waarop verweerder baseert dat eiser zich
kan vestigen in [plaats 2] , [plaats 3] en [plaats 4] . Desgevraagd heeft de gemachtigde van
verweerder ter zitting niet meer helderheid kunnen verschaffen anders dan dat dit uit het
geldende beleid zou blijken. De rechtbank veronderstelt dat verweerder zich baseert op het besluit van de toenmalige staatssecretaris van 27 juni 2024 [8] . Daarin staat dat de IND voor Kameroen enkel de hoogste mate van willekeurig geweld aanneemt (meest uitzonderlijke situatie) in de provincies North-West en South-West en dat sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief in [plaats 2] , [plaats 3] en [plaats 4] als de vreemdeling aan alle volgende voorwaarden voldoet: (1) de vreemdeling is afkomstig uit de provincies North-West of South-West; en (2) de vrees van de vreemdeling is niet gebaseerd op de vreemdeling zelf betreffende omstandigheden, maar is alleen een gevolg van de meest uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3.3 Vc [9] . Als de vreemdeling, al dan niet afkomstig uit de provincies North-West en South-West, op individuele gronden te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade, zal op individuele basis bezien worden of er een binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is. Het besluit geeft echter geen enkele informatie over eventuele risico’s voor vreemdelingen die afkomstig zijn uit [plaats 1] en behoren tot de [naam 1] stam, zoals eiser. De verwijzing van verweerder naar de website [10] is daarvoor onvoldoende, omdat onduidelijk is wat voor een bron dit is en of de inhoud van de website actueel en betrouwbaar is. Desgevraagd ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder geen andere (gezaghebbende) bronnen kunnen noemen en enkel gesteld dat het is gebaseerd op ‘landeninformatie’ zonder dit specifiek te maken. Dat betekent dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [plaats 2] , [plaats 3] en [plaats 4] voor eiser te gelden heeft als beschermingsalternatief. Dit betekent dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. De beroepsgrond slaagt.
Overige beroepsgronden
6. Omdat het beroep reeds op de vorige beroepsgrond slaagt, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit nemen en daarbij rekening houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, - omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Belhaj, griffier.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage: Juridisch kader

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 29

1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan Pro worden verleend aan de vreemdeling:
a. die verdragsvluchteling is; of
b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:
1°. doodstraf of executie;
2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of
3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
2. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan Pro voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:
Vreemdelingencirculaire 2000 (C)

C2/3.4. Bescherming autoriteiten en beschermingsalternatief

De IND beoordeelt de bescherming van de vreemdeling in de zin van artikel 3.37c,VV en artikel 3.37d, VV nadat is vastgesteld dat de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in artikel 29 eerste Pro lid, aanhef en onder a Vw of daden als bedoeld in artikel 29 eerste Pro lid, aanhef en onder b Vw. De IND beoordeelt de vraag of deze bescherming van de vreemdeling mogelijk is, op het moment waarop het besluit op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt genomen.
(…)
Bewijslast
De IND onderzoekt eerst of bescherming in zijn algemeenheid mogelijk is. De IND maakt hierbij gebruik van algemene informatie uit objectieve bron over het land van herkomst.
Indien de IND heeft vastgesteld dat bescherming mogelijk is, is het vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat een verzoek om bescherming bij de autoriteiten in het land van herkomst in zijn individuele geval bij voorbaat zinloos of zelfs gevaarlijk moet worden geacht. Indien de vreemdeling dat laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs door hem inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.
(…)
Binnenlands beschermingsalternatief
Bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling bescherming in Nederland nodig heeft tegen dreigende vervolging of daden als bedoeld in artikel 29 eerste Pro lid, aanhef en onder b, Vw, beoordeelt de IND of de vreemdeling in het land van herkomst een beschermingsalternatief heeft om zich in een ander gebied in het land van herkomst aan deze dreiging te onttrekken.
De term beschermingsalternatief is een verzamelterm voor het vlucht- of vestigingsalternatief. Bepalend voor het gebruik van deze termen is de dreiging waartegen deze alternatieven voor de vreemdeling bescherming bieden.
De IND gebruikt de term vluchtalternatief bij bescherming van de vreemdeling tegen dreigende vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
De IND gebruikt de term vestigingsalternatief bij bescherming van de vreemdeling tegen daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vw.
De IND neemt aan dat een ander gebied in het land van herkomst op grond van artikel 3.37d VV voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
a. het gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of voor daden als bedoeld in artikel 29 eerste Pro lid, aanhef en onder b Vw óf toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel 3.37c VV;
b. de vreemdeling kan op veilige en wettige wijze reizen naar en toegang verkrijgen tot dat gebied in het land van herkomst; en
c. van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt.
Ad a.
Naast het vereiste dat de dreiging in het andere gebied niet mag bestaan, is het ook van belang dat de vreemdeling in het andere gebied geen nieuwe dreiging zal ondervinden. Als het aannemelijk is dat de vreemdeling in het andere gebied ook heeft te vrezen voor vervolging of voor daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw dan beoordeelt de IND of de vreemdeling bescherming kan inroepen tegen de dreiging in dat gebied.
Als de dreiging in een bepaald gebied een gevolg is van een situatie van willekeurig geweld vanwege een internationaal gewapend conflict als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95/EU en niet gerelateerd is aan individuele, persoonlijke vrees, kan de vreemdeling afkomstig uit dat gebied zich onttrekken aan deze dreiging door zich te vestigen in een plaats gelegen buiten het hier bedoelde gebied. De voorwaarden genoemd onder b en c voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief blijven onverminderd van toepassing.
Ad b.
Het gebied moet vanuit Nederland daadwerkelijk bereikbaar zijn. Daarnaast moet het gebied op legale en veilige wijze kunnen worden bereikt.
Ad c.
De bescherming die de vreemdeling in het gebied krijgt, hoeft niet dezelfde te zijn als de bescherming die de vreemdeling in Nederland zou hebben gekregen.
De vreemdeling moet zich in het gebied kunnen vestigen en een leven kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling mag in het betreffende gebied niet achtergesteld worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking. Daarnaast mogen de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie.
Dat de omstandigheden in het gebied minder gunstig zijn dan in het oorspronkelijke woongebied van de vreemdeling is voor de IND onvoldoende reden om geen vlucht- of vestigingsalternatief tegen te werpen.
De IND beoordeelt aan de hand van de over het land van herkomst beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen of een vlucht- of vestigingsalternatief in de individuele zaak van de vreemdeling aanwezig is.
In het landgebonden asielbeleid kan de staatssecretaris het bestaan van een binnenlands beschermingsalternatief op basis van de beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen met inachtneming van de genoemde voorwaarden van tevoren vaststellen dan wel uitsluiten voor:
•. vreemdelingen uit een gedeelte van dat land waarbij de dreiging in dat gebied een gevolg is van een situatie van willekeurig geweld vanwege een internationaal gewapend conflict als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95/EU; of
•. een bepaalde bevolkingsgroep.
(…)
Voorschrift Vreemdelingen 2000

Artikel 3.37d

1. Bij de beoordeling of een vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Wet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro die wet geldt dat een vreemdeling geen behoefte heeft aan bescherming, indien hij in een deel van het land van herkomst:
a. geen gegronde vrees heeft voor vervolging of geen reëel risico op ernstige schade loopt; of
b. toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel 3.37c tegen vervolging of tegen ernstige schade,
en hij op een veilige en wettige manier kan reizen naar en zich toegang verschaffen tot dat deel van het land, en redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij er zich vestigt.
2. Bij de beoordeling of de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt, of toegang heeft tot bescherming tegen vervolging of tegen ernstige schade in een deel van het land van herkomst overeenkomstig het eerste lid, wordt rekening gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling in overeenstemming met artikel 31 van Pro de Wet. Daartoe wordt ervoor gezorgd dat wordt beschikt over nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen, zoals de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen en het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen.
2.[website]
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Zie de uitspraak van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3805 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2024:3805), overweging 3.2.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Zie in dit verband: artikel 3.37d, eerste lid, van het VV 2000, en paragraaf C2/3.4 van de Vc 2000
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2044, overweging 2.2.
8.Staatscourant nr. 19165, 27 juni 2024, Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 juni 2024, nummer WBV 2024/12, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire
9.Vreemdelingencirculaire 2000.
10.[website]