ECLI:NL:RBDHA:2026:5475

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
AWB 26/3954
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VwArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 1:3 AwbArt. 5 Wet COa
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang asielzoeker wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Verzoeker, een asielzoeker, heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de beëindiging van zijn opvang door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). Hij stelde dat hij bijzondere omstandigheden heeft, waaronder meervoudige medische problematiek, verslaving, psychische problemen en suïciderisico, die voortzetting van de opvang rechtvaardigen.

De voorzieningenrechter overwoog dat het recht op opvang volgens de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva) eindigde op 16 april 2025, na afwijzing van verzoekers aanvraag voor uitstel van vertrek en het bezwaar daarop. De brief van het COa waarin de beëindiging van de opvang werd meegedeeld, was geen besluit in de zin van de Awb.

De voorzieningenrechter stelde dat alleen bij een acute medische noodsituatie die direct samenhangt met de opvangvoorzieningen een verplichting tot voortzetting van opvang bestaat. Verzoeker had onvoldoende onderbouwing geleverd van een dergelijke situatie. Chronische aandoeningen en afhankelijkheid van zorg of medicatie zijn geen grond voor voortzetting. Ook verwees de rechter naar de mogelijkheid van medische zorg buiten de opvang op grond van de Vreemdelingenwet.

Gelet op het voorgaande heeft het beroep tegen de beëindiging van de opvang geen redelijke kans van slagen, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de opvang is afgewezen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/3954

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. H. Tadema),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), verweerder,

(gemachtigde: mr. A. van Beurden).

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoekers aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw [1] afgewezen.
Bij besluit van 19 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het besluit van 19 mei 2025 beroep ingesteld (AWB 25/10927). Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (AWB 25/10928).
Bij brief van 6 maart 2026 heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat zijn recht op grond van de Rva [2] op 12 maart 2026 zal worden beëindigd.
Verzoeker heeft beroep ingesteld (AWB 26/4036) en daarbij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat hem opvang wordt verstrekt totdat op zijn beroep is beslist.
Partijen hebben over en weer op elkaars standpunten gereageerd.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb. [3]

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Verzoeker voert aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om de opvang ook na 12 maart 2026 voort te zetten. Verzoeker lijdt namelijk aan meervoudige medische problematiek. Hij is verslaafd aan drugs, heeft psychische problemen en er speelt gevaar voor suïcide. Ter onderbouwing heeft verzoeker zijn procesdossier van 2025 overgelegd en de toegewezen voorlopige voorziening van 25 maart 2025. [4]
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
3. Verzoeker heeft op 23 mei 2024 een aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw ingediend. Bij besluit van 28 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoekers aanvraag afgewezen. Bij besluit van 19 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard. Uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rva volgt dat verzoekers recht op opvang vier weken later, op 16 april 2025, eindigt. In zijn brief van 6 maart 2026 heeft verweerder eiser uitsluitend mededeling gedaan van dit, van rechtswege, intredende rechtsgevolg. De brief is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De brief is evenmin een besluit gelijkgestelde handeling in de zin van artikel 5, tweede lid, van de wet COa. Het rechtsgevolg waarvan verweerder in zijn brief mededeling heeft gedaan, was immers al ontstaan met het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 19 mei 2025.
4. Ten overvloede, voor zover de situatie van verzoeker desalniettemin gelijk is te stellen met de situatie zoals bedoeld in de uitspraak van de Afdeling [5] van 28 maart 2007 [6] , wordt overwogen dat verweerder is gehouden opvang te verlenen aan verzoeker wanneer sprake is van een acute medische noodsituatie die aansluit aan bij de omstandigheden vermeld in artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, g, en n, van de Rva en direct gerelateerd is aan de aan verweerder uitdrukkelijk toegekende bevoegdheid. [7] Het is aan verzoeker om aannemelijk te maken dat van dergelijke bijzondere omstandigheden sprake is. De voorzieningenrechter is het met verweerder eens dat verzoeker op dit moment niet behoort tot de categorie vreemdelingen aan wie verweerder opvang moet bieden op grond van de Rva.
5. Uit de door verzoeker overgelegde stukken blijkt niet dat sprake is van een acute medische noodsituatie die gekoppeld is aan de opvangvoorzieningen van verweerder. Ook de afhankelijkheid van zorg, dan wel medicatie is geen zeer bijzondere omstandigheid om de verstrekkingen te continueren. De Afdeling heeft een strikt onderscheid gemaakt tussen chronische ziektebeelden waarvoor langdurige behandeling noodzakelijk wordt geacht en een acute medische noodsituatie. Daarbij is van belang dat eiser geen recente stukken heeft overgelegd om zijn gestelde medische noodsituatie te onderbouwen.
6. Voor zover er bij verzoeker zich op korte termijn serieuze medische problemen zouden voordoen, kan hij ook in een situatie zonder Rva-verstrekkingen aanspraak maken op voortgaande medische noodzakelijke zorg op grond van artikel 10 van Pro de Vw.
7. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het beroep tegen de beëindiging van de opvang en verstrekkingen geen redelijke kans van slagen. Om die reden wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 13 maart 2026 door mr. K.M. de Jager, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.AWB 25/5347 (niet gepubliceerd).
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.