Op 10 februari 2024 vond tijdens een voetbalwedstrijd in Delft een gewelddadige confrontatie plaats waarbij de verdachte samen met anderen de keeper van de tegenpartij mishandelde en openlijk geweld pleegde. De rechtbank stelde vast dat de verdachte medepleger was van het geweld, maar sprak hem vrij van zware mishandeling omdat niet kon worden bewezen dat hij het letsel aan de kaken van het slachtoffer had veroorzaakt.
De rechtbank oordeelde dat het bewezen verklaarde strafbaar was en dat de verdachte strafbaar was. De officier van justitie vorderde een taakstraf van 180 uur, welke passend werd geacht gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden, het strafblad en het reclasseringsadvies. De redelijke termijn was niet overschreden.
De benadeelde partijen vorderden schadevergoeding, maar werden niet-ontvankelijk verklaard omdat hun schade niet rechtstreeks verband hield met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. De rechtbank veroordeelde hen in de kosten van de verdediging. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur met een proeftijd van 90 dagen.