ECLI:NL:RBDHA:2026:5277

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
26.107
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van maatregel van bewaring in vreemdelingenrechtelijke procedure

De minister van Asiel en Migratie legde op 28 januari 2026 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, sub a, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde hiertegen beroep in, dat later werd ingetrokken, waarna de minister de rechtbank informeerde, wat werd aangemerkt als een nieuw beroep en verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank behandelde het beroep op 6 maart 2026 via telehoren. De minister motiveerde de bewaring met zware gronden zoals het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen, het onttrekken aan toezicht, het niet meewerken aan vaststelling identiteit en het niet naleven van terugkeerplicht. Daarnaast werden lichte gronden genoemd zoals het ontbreken van vaste woonplaats en onvoldoende middelen van bestaan.

De rechtbank oordeelde dat eiser de procedure voorafgaand aan de bewaring niet had bestreden en dat de maatregel op juiste gronden was gebaseerd. Hoewel eiser tijdens de bewaring meewerkt, rechtvaardigt dit niet het opleggen van een lichter middel. Medische omstandigheden werden niet voldoende onderbouwd. De rechtbank constateerde voldoende voortvarendheid in het uitzettingsproces en aannemelijk zicht op uitzetting naar Algerije.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig is, dat de bewaring niet langer dan zes maanden duurt, en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

IRECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10700

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. De minister heeft op 28 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Eiser heeft op 29 januari 2026 beroep ingesteld tegen deze maatregel. Dit beroep is door de toenmalige gemachtigde van eiser op 9 februari 2026, voorafgaand aan de ingeplande zitting van 10 februari 2026, ingetrokken.
1.1.
De minister heeft de rechtbank op 24 februari 2026 via een kennisgeving op de hoogte gesteld van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is op het detentiecentrum Rotterdam verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Op de rechtbank in Groningen is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten
.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer.
(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend, die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.
2.2.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
4. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf. Op 20 november 2025 is de asielaanvraag van eiser niet ontvankelijk verklaard. Eiser had al een terugkeerbesluit van 23 juni 2025. De bewaring is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
5. Over zware grond 3d voert eiser aan dat hij sinds de laatste afwijzende beslissing op zijn asielaanvraag medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Ook stelt hij dat er in het kader van zware grond 3i ten onrechte is overwogen dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden 3a, 3b, en 3c en de lichte gronden niet heeft betwist. Deze gronden zijn naar het oordeel van de rechtbank terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd en, in samenhang bezien, al voldoende om de maatregel te kunnen dragen en om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Lichter middel
6. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiser, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Hierbij is van belang dat aan eiser eerder een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd, die niet heeft geleid tot het zelfstandig vertrek van eiser. De minister heeft in de bewaringsmaatregel ook verwezen naar het vertrekgesprek van 18 december 2025. Dit vertrekgesprek is op de zitting alsnog toegevoegd aan het digitale dossier. Daarnaast heeft de gemachtigde van eiser op de zitting gereageerd op de inhoud van het vertrekgesprek. De rechtbank stelt vast dat eiser in het vertrekgesprek van 18 december 2025 een laatste kans is geboden om documenten te overleggen om zelfstandig te kunnen vertrekken, maar eiser heeft dit niet gedaan. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister ook een vertrekgesprek van 4 maart 2026 toegevoegd aan het digitale dossier. De gemachtigde van eiser stelt dat daaruit blijkt dat eiser meewerkt. Hij heeft, zoals volgt uit dit vertrekgesprek, met IOM gesproken en een kopie van zijn identiteitskaart naar de IOM-medewerker laten sturen. De rechtbank volgt niet dat dit maakt dat de minister een lichter middel had moeten opleggen. Dat eiser nu, tijdens zijn inbewaringstelling, meewerkt, betekent namelijk niet dat de minister eiser niet in bewaring had mogen stellen, gelet op het onttrekkingsrisico. Een lichter middel volstaat gelet op deze omstandigheden niet om de uitzetting van eiser te verzekeren.
6.1.
Eiser heeft geen medische omstandigheden kenbaar gemaakt. Dat eiser op de zitting stelt dat hij psychische schade heeft opgelopen is niet nader onderbouwd. Daarnaast is eiser er door de minister op gewezen dat alle medische faciliteiten in het detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn. De medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland is gelijkwaardig aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verder overweegt de rechtbank dat eiser geen andere persoonlijke omstandigheden kenbaar heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
7. Eiser voert aan dat er in de zomer van 2025 een lp is aangevraagd, en dat onduidelijk is wat er sindsdien is gebeurd. In ieder geval is geen sprake van progressie.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat er op 29 januari en op 19 februari 2026 is gerappelleerd op de lopende lp-aanvraag. Ook is er op 2 februari 2026 en 4 maart 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister verder nog toegevoegd dat na de inbewaringstelling een onderzoek is gestart bij Italië, maar dit onderzoek is afgesloten nadat Italië heeft geantwoord dat er geen identiteitsdocumenten in Italië waren aangetroffen. Het is nu wachten op de afgifte van een lp door de autoriteiten of dat eiser via het IOM kan vertrekken. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend.
7.2.
De rechtbank neemt daarom aan dat zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen [2] , maar ook specifiek voor eiser niet ontbreekt. Er is geen aanleiding voor het vermoeden dat de Algerijnse autoriteiten geen lp aan eiser zullen verstrekken.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [3] De rechtbank stelt daarbij vast dat eiser in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit. [4]
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892) en van 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722).
3.Zie ook het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647).
4.Zie ook het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).