Eiseressen, beiden van Afghaanse nationaliteit, vroegen op 15 oktober 2023 een visum kort verblijf aan voor familiebezoek bij hun oom in Nederland. De minister wees de aanvragen af wegens onvoldoende aantoonbare sociale en economische binding met Afghanistan en redelijke twijfel over het voornemen om tijdig terug te keren.
Eiseressen stelden dat zij hun familierelatie en het doel van het bezoek voldoende hadden aangetoond, onder meer vanwege het overlijden van hun ouders en het rouwverwerkingsproces. Ook voerden zij aan dat zij ten onrechte niet zijn gehoord in de bezwaarprocedure.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht twijfelde aan de bindingen met Afghanistan en het terugkeerperspectief. Wel was het horen in bezwaar onterecht achterwege gelaten, maar dit gebrek werd gepasseerd omdat eiseressen in beroep aanvullende stukken hadden ingediend. De beroepen werden ongegrond verklaard, maar de minister werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.