ECLI:NL:RBDHA:2026:504
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel bewaring vreemdeling en detentiegeschiktheid
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen het voortduren van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 lid 1 onder Pro a van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 27 oktober 2025, waarna de rechtbank zich richtte op de periode daarna.
Eiser stelde onder meer dat hij detentieongeschikt zou zijn, mede vanwege dwangmedicatie en omstandigheden rondom vertrekgesprekken. De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldeed aan de bewijslast voor detentieongeschiktheid, mede omdat hij geen medische gegevens had overgelegd en uit het vertrekgesprek van 5 november 2025 bleek dat hij logisch en consistent kon verklaren. Ook werd vastgesteld dat eiser inmiddels verblijft in een rustiger centrum (Veldzicht).
Verder betwistte eiser het zicht op uitzetting naar Marokko en Algerije, omdat hij niet was gepresenteerd bij de autoriteiten. De rechtbank concludeerde dat er voldoende zicht op uitzetting is, gezien de lopende aanvragen voor laissez-passer en herhaalde rappelleringen. Eiser werd tevens verweten onvoldoende medewerking te verlenen aan zijn uitzetting.
Ten slotte werd opgemerkt dat het beroep en verzoek om voorlopige voorziening tegen het aanvullende terugkeerbesluit geen schorsende werking hebben. De rechtbank vond geen onrechtmatigheden in het voortduren van de maatregel en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring ongegrond en bevestigt dat eiser detentiegeschikt is en er voldoende zicht is op uitzetting.