ECLI:NL:RBDHA:2026:4964

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
NL25.63082 en NL25.63083
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 31 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Verdrag betreffende de status van vluchtelingenEVRM art. 3
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens openbare orde en geloofwaardigheid

Eiser, een Turkse Koerd, diende op 19 december 2022 een asielaanvraag in die op 17 december 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond vanwege twijfel aan zijn geloofwaardigheid en een gevaar voor de openbare orde.

Verweerder kwam terug op een eerdere positieve geloofwaardigheidsbeoordeling na onderzoek waaruit bleek dat overgelegde documenten waarschijnlijk vals waren. Eiser voerde aan dat hij ten onrechte niet is gehoord over zijn strafrechtelijke veroordeling en dat de motivering van verweerder onvoldoende was.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht terugkwam op de geloofwaardigheid, maar dat eiser wel had moeten worden gehoord over het delict en zijn huidige houding. Het besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en wordt vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 2.802,-.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.63082 en NL25.63083
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F.H. van Zande).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 19 december 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 17 december 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. [1]
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Sivridag als tolk, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1998. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is als Koerd gediscrimineerd. Zo is hij bijvoorbeeld mishandeld door de politie. Daarnaast wil hij de dienstplicht niet vervullen. Ook heeft eiser problemen gehad omdat hij zich op social media heeft geuit tegen het geweld tegen Koerden door Turkse soldaten. De Turkse overheid heeft vervolgens zijn account geblokkeerd. Eiser heeft een kopie van een rechtbankvonnis en een kopie van een aanhoudingsbevel overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat hij is vervolgd voor het maken van propaganda voor een terroristische beweging.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
discriminatie vanwege eisers Koerdische afkomst;
dat eiser in aanmerking komt voor de militaire dienst in Turkije; en
eisers problemen vanwege het plaatsen van berichten op social media.
4. Verweerder vindt de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Eisers problemen vanwege het plaatsen van berichten op social media zijn volgens verweerder niet geloofwaardig. Verweerder komt hiermee terug op de beoordeling die hij heeft gemaakt in een eerder – ingetrokken – voornemen van 13 juni 2024. Sinds dat vorige voornemen is namelijk uit een onderzoek van Bureau Documenten gebleken dat de kopieën van het vonnis en het aanhoudingsbevel met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Verweerder vindt geloofwaardig dat eiser is gediscrimineerd vanwege zijn Koerdische afkomst en dat hij in aanmerking komt voor de militaire dienst. Deze asielmotieven maken echter niet dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin [2] en of een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. [3] Ook dat bij eiser sprake is van een politieke overtuiging, maakt niet dat zijn asielaanvraag ingewilligd moet worden, omdat niet aannemelijk is dat eiser er problemen door zal ondervinden. Verweerder wijst de aanvraag van eiser af als kennelijk ongegrond omdat hij niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was, omdat hij verklaringen heeft afgelegd die worden beoordeeld als kennelijk vals, en omdat hij op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde. Eiser is namelijk veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf voor zware mishandeling en openlijk geweld in verening.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder is allereerst ten onrechte teruggekomen op de eerdere geloofwaardigheidsbeoordeling, waarin verweerder heeft aangenomen dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging. Het documentonderzoek dat is verricht is niet inzichtelijk en verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre het vonnis en het arrestatiebevel in de eerder gemaakte beoordeling een rol speelden ten opzichte van eisers verklaringen. Wat betreft de dienstplicht voert eiser aan dat zijn politieke overtuiging als Koerd voldoende reden is om de dienstplicht te willen vermijden. Voor zover verweerder aan eiser tegenwerpt dat het niet aannemelijk is dat hij geen wapens wil gebruiken omdat eiser juist eerder geweld heeft gepleegd met een wapen, had verweerder eiser moeten horen over hoe hij nu op die gebeurtenis terugkijkt. Ook mocht verweerder zonder eiser te horen over het delict niet komen tot een zwaar inreisverbod en een kennelijk-ongegrondverklaring op grond van de openbare orde.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank geeft eiser gelijk op zijn punt dat verweerder hem moest horen over het door hem gepleegde delict. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
Mocht verweerder terugkomen op de eerder gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling?
7. De grond dat verweerder niet terug mocht komen op de in het voornemen van 13 juni 2024 gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [4] staat het verweerder steeds vrij om terug te komen van een eerder ingenomen geloofwaardigheidsstandpunt. Verweerder moet dan wel deugdelijk motiveren waarom hij aanleiding ziet om terug te komen van een eerder ingenomen standpunt.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom hij is teruggekomen van zijn eerdere standpunt over de geloofwaardigheid van eisers problemen vanwege het plaatsen van berichten op social media. In het bestreden besluit en ter zitting heeft verweerder namelijk toegelicht dat het voor Bureau Documenten sinds het eerdere voornemen mogelijk is geworden om kopieën van Turkse justitiële documenten te onderzoeken op afgifte en opmaak. Dat heet tactisch onderzoek en deze mogelijkheid volgt uit de in mei 2025 bijgewerkte ‘Vakbijlage Bureau Documenten.’ Nu uit het vervolgens uitgevoerde tactisch onderzoek volgt dat het vonnis en het aanhoudingsbevel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven, mocht verweerder hierin aanleiding zien om een nieuw voornemen uit te brengen.
7.2.
Eisers betoog dat het onderzoek niet zorgvuldig is verlopen omdat geen sprake is van een zuivere rolverdeling tussen Bureau Documenten en het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal van de IND (hierna: TOELT), slaagt niet. Met de toelichting van verweerder ter zitting is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat het tactisch onderzoek is verricht door Bureau Documenten en dat TOELT deze conclusies heeft gecontroleerd en dit heeft opgenomen in de vergewisbrief van 19 mei 2025. Dat uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 9 april 2025 [5] volgt dat TOELT het onderzoek naar dit type documenten verricht, doet hier niet aan af. Verweerder heeft namelijk ter zitting uitgelegd dat de werkwijze wat betreft het tactisch onderzoek in mei 2025, dus nadat deze uitspraak is gedaan, is veranderd. Uit de besluitvorming volgt dat verweerder zich heeft gebaseerd op het documentonderzoek van Bureau Documenten in combinatie met de vergewisbrief. Omdat het een documentonderzoek van Bureau Documenten een deskundigenonderzoek is en verweerder heeft voldaan aan zijn vergewisplicht over de inhoudelijke inzichtelijkheid van het documentonderzoek, mocht verweerder uitgaan van de inhoud van de verklaring daarvan. Eiser heeft hier geen concrete aanknopingspunten voor twijfel, zoals een contra-expertise, tegenover gesteld. Anders dan eiser ter zitting heeft betoogd, hoefde verweerder geen inzicht te geven in welke gebreken precies zijn geconstateerd in het documentonderzoek, nu hiermee mogelijk fraude in de hand zou worden gewerkt. Dat TOELT op 15 april 2025 al afwijkingen heeft geconstateerd in de documenten, doet er niet aan af dat verweerder aan zijn vergewisplicht kon voldoen door navraag te doen bij TOELT. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de onafhankelijke blik van TOELT ten aanzien van dit eerdere onderzoek is beïnvloed omdat zij ervan op de hoogte waren dat in eisers geval openbare-ordeaspecten spelen of dat de vergewisbrief niet onafhankelijk tot stand kan zijn gekomen, nu dit eerdere onderzoek van TOELT er al lag. Voor beide stellingen zijn immers geen concrete aanknopingspunten. Ten slotte acht de rechtbank van belang dat dit eerdere onderzoek van TOELT door een andere medewerker is uitgevoerd.
Heeft verweerder de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling deugdelijk gemotiveerd?
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het nieuwe voornemen van 23 oktober 2025 en het besluit van 17 december 2025 ook deugdelijk gemotiveerd dat eisers problemen vanwege zijn activiteiten op social media niet geloofwaardig zijn. Nu eiser valse stukken heeft overgelegd, mocht verweerder aan hem tegenwerpen dat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven en dat hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Anders dan eiser heeft betoogd, mocht verweerder vanwege de valse documenten ook eisers verklaringen beoordelen als niet samenhangend en niet aannemelijk. Het is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat deze stukken, waar verweerder op dat moment van uitging, er in het oorspronkelijke voornemen van 13 juni 2024 in belangrijke mate aan hebben bijgedragen dat eisers verklaringen aannemelijk werden gevonden. Nu de stukken vals zijn gebleken, mocht verweerder ook concluderen dat eisers verklaringen erover tijdens het gehoor niet waar kunnen zijn. Omdat eiser geen stukken heeft overgelegd van zijn account of posts op Facebook, terwijl uit zijn relaas volgt dat hij hier wel aan zou kunnen komen, mocht verweerder ook concluderen dat eiser zonder goede verklaring onvoldoende documenten heeft gegeven. Tot slot mocht verweerder aan eiser tegenwerpen dat hij zijn asielaanvraag zonder goede verklaring niet zo snel mogelijk heeft ingediend.
Moest verweerder eiser horen over het door hem gepleegde delict?
9. De grond dat verweerder eiser moest horen over het door hem gepleegde delict en zijn actuele houding daarover, slaagt. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser duidelijk gemaakt dat deze grond ziet op de dienstplicht, de kennelijk-ongegrondverklaring omdat eiser op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde en het zware inreisverbod. Naar het oordeel van de rechtbank is voor alle drie deze aspecten van belang dat verweerder een actuele beoordeling maakt van eisers gedrag en motivatie. Immers moest verweerder beoordelen of eiser nog altijd een gevaar vormt voor de openbare orde en is in het kader van de dienstplicht relevant hoe eiser op dit moment tegen het gebruik van wapens aankijkt.
9.1.
Eiser heeft, nadat zijn veroordeling onherroepelijk is geworden, een rapport over zijn gedrag in detentie en een eigen verklaring overgelegd. Ook heeft hij aangevoerd dat hij schadevergoeding aan zijn slachtoffer betaalt. Verweerder moest hierin aanleiding zien om eiser te horen om inzicht te krijgen in de oprechtheid van de gestelde gedragsverandering. De rechtbank volgt eiser in zijn betoog dat met een gehoor inzichten kunnen worden verkregen in de intrinsieke motiveringen en overtuigingen van eiser wat betreft het gebruik van geweld, die niet kunnen worden verkregen via een zienswijze op papier. De rechtbank volgt verweerder er dan ook niet in dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld zijn visie te geven omdat hij schriftelijke zienswijzen heeft kunnen indienen.
9.2.
Aan het gegeven dat eiser tijdens zijn strafproces heeft ontkend dat hij het strafbare feit heeft gepleegd, mocht verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook geen conclusies verbinden over hoe eiser reflecteert op het door hem gepleegde delict. De ontkennende proceshouding van eiser gedurende het strafproces is een op zichzelf staande tactisch-strategische keuze voor dat moment, die doorgaans in overleg met de advocaat gekozen is als verdedigingsstrategie. Deze proceshouding zegt naar het oordeel van de rechtbank dan ook op zichzelf niet zo veel over de gedragsontwikkeling van eiser na het plegen van het strafbare feit. Nu het nader gehoor heeft plaatsgevonden voordat het strafproces was afgerond, mocht op dat moment niet van eiser worden verwacht dat hij in zijn asielprocedure wel openlijk over het delict verklaarde. Daarin had verweerder te meer reden moeten zien om eiser na afloop van zijn strafproces nog eens te horen.

Conclusie en gevolgen

10. Verweerder heeft het besluit niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd door de aanvraag af te wijzen zonder eiser te horen over het door hem gepleegde delict. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen.
10.2.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10.3.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,-. [6]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 17 december 2025;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 2.802,-.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, h en j, van de Vw 2000.
2.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3360).
6.1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.