ECLI:NL:RBDHA:2026:4963

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
NL25.64040
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 30a lid 1 onder d Vreemdelingenwet 2000Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.1 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring opvolgende asielaanvraag wegens ontbreken nieuwe relevante elementen

Eiseres, met de Surinaamse nationaliteit, heeft op 20 oktober 2025 een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Deze aanvraag werd op 23 december 2025 door verweerder niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen nieuwe elementen of bevindingen waren die relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

Eiseres voerde aan dat haar medische situatie, waaronder psychische klachten en chronisch gastritis, onvoldoende is onderzocht en verwees naar jurisprudentie die een deskundigenbeoordeling verplicht stelt. De rechtbank oordeelt echter dat medische omstandigheden alleen relevant zijn indien sprake is van opzettelijke weigering van medische zorg in het land van herkomst, wat niet is gesteld of gebleken.

De rechtbank bevestigt dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat de medische situatie geen nieuwe en relevante elementen vormt binnen de context van een opvolgende aanvraag. Ook behoorde verweerder niet ambtshalve te beoordelen of uitstel van vertrek op medische gronden moest worden verleend, aangezien dit een aparte procedure vereist.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter J. Holleman op 10 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de opvolgende asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.64040

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar asielaanvraag. Eiseres heeft op 20 oktober 2025 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 december 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. [1]
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Aan de zitting heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen. Namens verweerder is met voorafgaand bericht geen gemachtigde verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft de Surinaamse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1987. Eiseres heeft van 2010 tot 2017 in Nederland gestudeerd en op grond daarvan legaal verblijf gehad. Eiseres heeft drie keer eerder een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gedaan. Haar eerdere aanvragen zijn respectievelijk ingetrokken door eiseres, kennelijk ongegrond verklaard door verweerder en niet-ontvankelijk verklaard door verweerder. In de uitspraak van 20 maart 2025 heeft deze rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar tweede aanvraag ongegrond verklaard. [2] Het besluit van 31 januari 2025 staat daarmee in rechte vast.
3. Eiseres heeft op 20 oktober 2025 opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel gedaan. Eiseres heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat zij medische problemen heeft, waaronder psychische klachten, chronisch gastritis en last van haar sleutelbeen. Verweerder heeft deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat er sprake is van een opvolgende aanvraag waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De medische situatie van eiseres valt volgens verweerder buiten de beoordeling van een opvolgende asielaanvraag.
4. Omdat eiseres haar aanvraag heeft ingediend vlak voor haar geplande uitzetting, heeft verweerder in het voornemen van 21 oktober 2025 beoordeeld of de uitzetting achterwege moest blijven. [3] Verweerder heeft geconcludeerd dat de uitzetting niet achterwege hoefde te blijven en eiseres is op 22 oktober 2025 uitgezet naar Suriname.
Wat vindt eiseres in beroep?
5. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat haar medische situatie ten onrechte niet is onderzocht. Eiseres verwijst naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 5 november 2013. [4] Verweerder mocht de medische stukken van eiseres en haar verklaringen over haar medische situatie niet zelf beoordelen en moest daarom een deskundige inschakelen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
7. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een opvolgende asielaanvraag beoordeelt verweerder of er sprake is van nieuwe elementen of bevindingen die relevant kunnen zijn voor de aanvraag. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van twee fasen. In de eerste fase moet onderzocht worden of er nieuwe elementen of bevindingen zijn die verband houden met de vraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. In de tweede fase moet verweerder beoordelen of die nieuwe elementen of bevindingen relevant zijn, dat wil zeggen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Een nieuw element of nieuwe bevinding is niet relevant als op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan de overwegingen van het eerder genomen besluit.
8. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie [5] en van de hoogste bestuursrechter, [6] volgt dat verweerder alleen een verblijfsvergunning asiel kan verlenen als een vreemdeling een reëel risico loopt als bedoeld in artikel 15 van Pro de Kwalificatierichtlijn. Medische omstandigheden kunnen daarbij slechts leiden tot ernstige schade in de zin van de Kwalificatierichtlijn als er sprake is van een situatie waarin medische zorg in het land van herkomst opzettelijk door een actor wordt geweigerd. Dit is gesteld noch gebleken. Verweerder hoefde de medische omstandigheden die eiseres ten grondslag heeft gelegd aan haar opvolgende aanvraag, daarom niet aan te merken als nieuwe en relevante elementen of bevindingen. Dit geldt ook voor de moeilijke psychische omstandigheden die de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft benoemd. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres bevestigd dat er geen andere asielgerelateerde omstandigheden spelen.
9. Nu het in het geval van eiseres gaat om een opvolgende aanvraag, hoefde verweerder ook niet ambtshalve te beoordelen of eiseres in aanmerking komt voor uitstel van vertrek om medische redenen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet. [7] Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze beoordeling thuishoort in een aparte aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000. De verwijzing ter zitting naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 27 januari 2026 [8] maakt dit niet anders. Die uitspraak gaat namelijk om een eerste asielaanvraag.
10. Gelet op de besproken jurisprudentie, bestaat in deze procedure geen ruimte om de medische omstandigheden van eiseres te beoordelen. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de moeilijke situatie van eiseres, komt de rechtbank dus niet toe aan de beoordeling van de vraag of zorg voor eiseres noodzakelijk is en beschikbaar is in Suriname. De grond dat verweerder een BMA-advies moest opvragen slaagt daarom niet. Uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 5 november 2013 waar eiseres naar heeft verwezen, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder hiertoe verplicht was.

Conclusie en gevolgen

11. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk mogen verklaren. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
11.1.
Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op basis van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d van de Vreemdelingwet 2000 (Vw 2000).
2.Zie de uitspraak van deze rechtbank van 20 maart 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:5634).
3.Volgens artikel 3.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1909) onder 3 en 4.
5.Arrest van 18 december 2014, inzake M'Bodj, ECLI:EU:C:2014:2452; punten 31-46.
6.Zie de uitspraken van de Afdeling van 30 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1733) en van 24 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2815) vanaf overweging 6.4.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1969).