Eiser, een Ethiopische derdelander die rechtmatig verbleef in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming vanwege zijn verblijf in Oekraïne, maakte bezwaar tegen twee terugkeerbesluiten van de minister van Asiel en Migratie. Het eerste terugkeerbesluit van 22 augustus 2023 werd ingetrokken, waarna eiser beroep instelde dat niet-ontvankelijk werd verklaard. Het tweede terugkeerbesluit van 28 februari 2024 werd eveneens ingetrokken en vervangen door een nieuw besluit van 12 augustus 2025, waartegen het beroep ongegrond werd verklaard.
De rechtbank overwoog dat de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 rechtsgeldig was vastgesteld door de hoogste bestuursrechter en het Hof van Justitie van de EU. Hierdoor had verweerder de bevoegdheid om het terugkeerbesluit van 12 augustus 2025 op te leggen. Eiser had geen belang meer bij beoordeling van het ingetrokken besluit van 31 januari 2024 en de voorlopige voorziening en bevriezingsmaatregel deden niet af aan het beëindigen van de tijdelijke bescherming.
De rechtbank veroordeelde verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.868,-. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en partijen konden binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.