ECLI:NL:RBDHA:2026:4802
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vrijheidsontnemende maatregel en toekenning schadevergoeding in vreemdelingenrecht
Eiser werd op 10 januari 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Na het instellen van beroep en een zitting op 27 januari 2026 werd de maatregel op 21 januari 2026 opgeheven. De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig was en of eiser recht had op schadevergoeding.
Eiser stelde dat hij detentieongeschikt was en dat de maatregel niet voldeed aan de vereisten van artikel 11, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Ondanks medische signalen en observaties van zijn gemachtigde en het aanmeldgehoor, had verweerder onvoldoende onderzoek gedaan naar de medische situatie van eiser en de evenredigheid van de detentie. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet voldeed aan zijn onderzoeksplicht en dat de voortzetting van de maatregel vanaf 14 januari 2026 onrechtmatig was.
De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €960,- voor zeven dagen onrechtmatige detentie en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten van €1.868,-. Het beroep werd gegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens onrechtmatige voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel en kent een schadevergoeding toe van €960.