ECLI:NL:RBDHA:2026:4802

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
NL26.2870
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 11 lid 1 OpvangrichtlijnArt. 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 94 lid 6 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige vrijheidsontnemende maatregel en toekenning schadevergoeding in vreemdelingenrecht

Eiser werd op 10 januari 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Na het instellen van beroep en een zitting op 27 januari 2026 werd de maatregel op 21 januari 2026 opgeheven. De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig was en of eiser recht had op schadevergoeding.

Eiser stelde dat hij detentieongeschikt was en dat de maatregel niet voldeed aan de vereisten van artikel 11, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Ondanks medische signalen en observaties van zijn gemachtigde en het aanmeldgehoor, had verweerder onvoldoende onderzoek gedaan naar de medische situatie van eiser en de evenredigheid van de detentie. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet voldeed aan zijn onderzoeksplicht en dat de voortzetting van de maatregel vanaf 14 januari 2026 onrechtmatig was.

De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €960,- voor zeven dagen onrechtmatige detentie en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten van €1.868,-. Het beroep werd gegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens onrechtmatige voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel en kent een schadevergoeding toe van €960.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.2870
V-nummer: [v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. T. de Boer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Op 21 januari 2026 heeft verweerder de maatregel opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. Eiser voert allereerst aan dat JCS geen gespecialiseerde opvanglocatie is. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft eerder een oordeel gegeven over de detentieomstandigheden in JCS. [1] De Afdeling [2] heeft deze uitspraak vernietigd. [3] Vervolgens heeft deze rechtbank en zittingsplaats prejudiciële vragen gesteld. [4] Totdat de prejudiciële vragen zijn beantwoord, conformeert de rechtbank zich aan het oordeel van de Afdeling. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Verder voert eiser aan dat hij detentieongeschikt was en dat zijn zaak zich niet leende voor de grensprocedure. Volgens hem is er niet voldaan aan de plicht uit artikel 11, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en artikel 5.1a, derde lid, van het Vb.
6. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de maatregel aangegeven dat hij gediagnosticeerd is met schizofrenie, maar dat hij denkt dat dat niet klopt en dat hij er geen medicatie voor gebruikt. Eiser stelt dat in de maatregel ten onrechte is aangekruist dat er geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die ervoor pleiten dat een lichter middel toegepast had moeten worden. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat dit een fout is en abusievelijk een verkeerd hokje is aangekruist, maar dat er wel op de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd is ingegaan. De rechtbank oordeelt dat verweerder in de maatregel voldoende is ingegaan op de medische omstandigheden van eiser zoals hij deze in het gehoor op 10 januari 2026 had meegedeeld. Daarbij heeft verweerder mogen verwijzen naar de medische dienst. De beroepsgrond slaagt niet.
7.1
Verweerder moet echter voortdurend beoordelen of voorzetting van de maatregel nog evenredig is. Meer in het bijzonder volgt uit artikel 11, lid 1 van de Opvangrichtlijn dat verweerder kwetsbare personen die zich in detentie bevinden regelmatig controleert en de bijstand geeft die gelet op hun specifieke situatie en gezondheid noodzakelijk is.
7.2.1
De gemachtigde van eiser heeft op 12 januari 2026 een iMMO-signaleringslijst opgesteld en naar verweerder gestuurd. Hierin geeft de gemachtigde aan dat eiser op hem een zeer onrustige en gespannen indruk maakt en ook niet goed te volgen is. Eiser neemt zijn medicatie niet meer in en heeft in het verleden een suïcidepoging gedaan. De gemachtigde geeft tevens aan dat de grensprocedure voor eiser niet langer geschikt is.
7.2.2
Op 13 januari 2026 heeft eiser zijn aanmeldgehoor. De gehoormedewerker schrijft op dat eiser aangeeft sinds zijn aankomst in Nederland geen clozapine meer te nemen als ook dat eiser op momenten onrustig is, erg warrig verklaart, totaal geen antwoord op vragen geeft en onrustig beweegt. Op 14 januari 2026 mailt de gemachtigde aan verweerder dat de bevindingen tijdens het aanmeldgehoor de observaties van de gemachtigde op 12 januari 2026 bevestigen. Ook schrijft de gemachtigde dat eiser detentieongeschikt is en het op dit moment volstrekt onmogelijk is om een nader gehoor af te nemen op basis waarvan een zorgvuldige beoordeling van het asielrelaas mogelijk is.
7.2.3
Op 14 januari 2026 wordt eiser ter voorbereiding op het nader gehoor onderzocht door een verpleegkundige. In het medTadvies schrijft de verpleegkundige dat eiser wel kan worden gehoord maar dat indien nodig een pauze wordt ingelast. Het medTadvies is ter accordering ondertekend door een arts.
7.2.4
Op 15 januari 2026 mailt verweerder naar de gemachtigde dat hij vooralsnog geen aanleiding ziet om de grensdetentie van eiser op te heffen. Verweerder verwijst daarbij naar de aanwezigheid van medische zorg in JCS en dat er geen signaal is binnengekomen dat eiser meer medische zorg nodig heeft dan zij thans kunnen bieden. Bij zijn mail voegt verweerder verder medische stukken uit India. Uit deze stukken volgt dat eiser is gediagnosticeerd met schizofrenie en hem het anti-psychoticum clozapine (dagelijks 1 pil à 100 gram) is voorgeschreven.
7.3
Verweerder heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat er door verweerder naast het onder 7.2.3 en 7.2.4 beschrevene geen onderzoek is gedaan naar de medische situatie van eiser.
8.1
In de uitspraak van 7 februari 2022 [5] heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder een onderzoeksplicht heeft en er van hem een actieve houding verwacht mag worden wanneer een vreemdeling serieuze signalen aandraagt dat zijn medische situatie de voortzetting van de maatregel onevenredig maakt. Het enkel verwijzen naar de medische dienst en dat de medische dienst geen aanleiding heeft gezien om de maatregel op te heffen, is dan onvoldoende.
8.2
De rechtbank is van oordeel dat verweerder na de door de gemachtigde van eiser ingediende stukken en de eigen ervaringen tijdens het aanmeldgehoor van 13 januari 2026, met het enkele MedTadvies door een verpleegkundige en verwijzing naar de medische dienst in JCS onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of verdere detentie van eiser evenredig is te achten. Dat het MedTadvies is geaccordeerd door een arts maakt dit niet anders. Het onderzoek is immers gericht op het horen van eiser in de asielprocedure, de arts heeft eiser niet zelf onderzocht en niet is gebleken dat de arts tevens psychiater is.
8.3
Hieruit volgt dat verweerder niet heeft voldaan aan artikel 11, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Verweerder had na de signalen van 12 en 13 januari 2026 uiterlijk een dag later nader onderzoek dienen in te stellen. Het beroep is gegrond en de maatregel is dan ook met ingang van 14 januari 2026 onrechtmatig.
9. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 7 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 8 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 960,-.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 960,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.ECLI:NL:RVS:2022:364, r.o. 5.1. en 5.2.