ECLI:NL:RBDHA:2026:4752
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank Den Haag heeft op 9 maart 2026 uitspraak gedaan over een verzoek tot proceskostenvergoeding van eiser na intrekking van zijn beroepen tegen een vrijheidsbeperkende maatregel en plaatsing in de HTL van 23 oktober 2025.
Eiser trok zijn beroepen in nadat de minister de vrijheidsbeperkende maatregel had opgeheven. De minister stelde dat de maatregel tot aan de opheffing rechtmatig was en dat het verzoek om proceskosten onvoldoende was onderbouwd. De rechtbank behandelde de zaak schriftelijk en sloot het onderzoek op 19 februari 2026.
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb, omdat de opheffing van de maatregel niet berustte op erkenning van onrechtmatigheid, maar op nieuwe feiten, namelijk het vrijwillig afzien van opvang door eiser. Het oorspronkelijke plaatsingsbesluit bleef gehandhaafd. Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na bekendmaking, voor zover het verzoek om proceskosten betreft. Tegen het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel zelf is geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkomen door de minister.