ECLI:NL:RBDHA:2026:466
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen maatregel van bewaring en rechtmatig verblijf van eiser in het bestuursrecht
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 5 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep van eiser tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie, waarbij aan eiser een maatregel van bewaring is opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft de zaak op 30 december 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde via videoverbinding aanwezig waren. De minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft in haar overwegingen vastgesteld dat eiser betwist dat hij geen rechtmatig verblijf heeft, maar dat uit het dossier blijkt dat zijn verblijfsrecht onrechtmatig is. De rechtbank oordeelt dat de minister de maatregel van bewaring op de juiste grondslag heeft gebaseerd. Eiser heeft geen bewijs geleverd voor zijn rechtmatig verblijf, en zijn asielaanvraag is eerder buiten behandeling gesteld.
Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld in de voorbereiding van de uitzetting van eiser naar Marokko. De rechtbank concludeert dat er zicht op uitzetting bestaat, ondanks de argumenten van eiser dat dit niet het geval zou zijn. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.