De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader om zijn kinderen terug te leiden naar Chili op grond van het Haagse Verdrag inzake internationale kinderontvoering. De vader stelde dat de moeder de kinderen ongeoorloofd in Nederland vasthield. De rechtbank oordeelde dat, ongeacht het Chileense gezagsrecht, de vader zijn gezagsrecht niet daadwerkelijk uitoefende.
De feiten toonden aan dat de ouders sinds 2022 uit elkaar waren en de moeder in juli 2024 met de kinderen naar Nederland was vertrokken. De vader had sinds september 2023 geen contact met de kinderen of de moeder gezocht en had slechts kort financieel bijgedragen. De rechtbank concludeerde dat de vader zich niet de belangen van de kinderen aantrok en daarom geen sprake was van ongeoorloofde vasthouding.
De rechtbank wees het verzoek tot teruggeleiding af en bepaalde dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt. Tevens werd de bijzondere curator benoemd om de belangen van de minderjarigen te behartigen en diens werkzaamheden worden beëindigd indien geen hoger beroep wordt ingesteld.
De beschikking werd uitgesproken door drie kinderrechters op 5 februari 2026 en is vatbaar voor hoger beroep binnen twee weken na uitspraak.