ECLI:NL:RBDHA:2026:462

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.62105
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtmatigheid van de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie

Deze uitspraak betreft de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het niet eens met deze maatregel en heeft beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt of de minister de maatregel rechtmatig heeft opgelegd. De rechtbank komt tot de conclusie dat de aanhouding van eiser geen verkapt vreemdelingenrechtelijk karakter had en dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting heeft gewerkt. De rechtbank legt uit dat de aanhouding van eiser plaatsvond tijdens een verkeerscontrole, waarbij bleek dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland had. De rechtbank oordeelt dat de minister op de tweede dag na de inbewaringstelling een vertrekgesprek heeft gevoerd en op de vijfde dag een vlucht heeft aangevraagd. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62105

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.A. Pieters),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van bewaring die de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de maatregel van bewaring mocht opleggen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de maatregel van bewaring aan eiser mocht opleggen. De aanhouding van eiser had geen verkapt vreemdelingenrechtelijk karakter en de minister heeft voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser gewerkt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft op 17 december 2025 de maatregel van bewaring aan eiser opgelegd. [1]
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om het toekennen van schadevergoeding. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser (via een beeldverbinding) en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Was de aanhouding van eiser verkapt vreemdelingenrechtelijk?
3. Eiser betoogt dat zijn aanhouding verkapt vreemdelingenrechtelijk was en de rechtbank daarom bevoegd is om de rechtmatigheid daarvan te toetsen. [3] Het proces-verbaal van aanhouding vermeldt immers niet de grondslag waarop de aanhouding is gebaseerd, zodat deze onduidelijk is gebleven. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de aanhouding feitelijk gezien een vreemdelingenrechtelijke staandehouding was, waarvoor onvoldoende grond bestond.
3.1.
Dit betoog slaagt niet. Hoewel eiser terecht aanvoert dat in het proces-verbaal van aanhouding geen grondslag staat vermeld, blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen voldoende dat de aanhouding een strafrechtelijk karakter had. In dat proces-verbaal staat namelijk vermeld dat eiser in een bestelbus reed die meerdere mankementen vertoonde, en dat de verbalisanten daarom een verkeerscontrole wilden uitvoeren op grond van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. In het kader van deze verkeerscontrole hebben de verbalisanten eiser om een legitimatiebewijs gevraagd. Eiser toonde op dat moment een Turkse identiteitskaart en bleek dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland had, waarna hij is aangehouden vanwege overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. De aanhouding van eiser was dus niet verkapt vreemdelingenrechtelijk, zodat de rechtbank over de rechtmatigheid daarvan geen oordeel mag geven. [4]
Heeft de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting gewerkt?
4. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting heeft gewerkt. Eiser heeft zijn uitzetting niet tegengewerkt en alle vereiste documenten voor de uitzetting waren vanaf het moment van de inbewaringstelling aanwezig. Het valt daarom niet in te zien waarom het nog tot 30 december 2025 heeft geduurd voordat eiser werd uitgezet, mede gelet op het feit dat er – ook tijdens de feestdagen – tien tot twintig directe vluchten per dag naar Turkije gaan.
4.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser gewerkt. De minister heeft er in dit verband terecht op gewezen dat hij op de tweede dag na de inbewaringstelling (op 19 december 2025) een eerste vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd en dat hij op de vijfde dag na de inbewaringstelling (op 22 december 2025) een vlucht heeft aangevraagd en vluchtgegevens heeft verkregen. De minister is dus na de inbewaringstelling van eiser vrijwel direct begonnen met de vereiste uitzettingshandelingen. Dat de uitzetting zelf wellicht eerder had kunnen plaatsvinden, wat daar overigens ook van zij, maakt niet dat de minister sneller had moeten handelen dan hij nu heeft gedaan. Bovendien mag aan de minister enige tijd worden gegund om een uitzetting (administratief) in orde te maken.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [5]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van bewaring rechtmatig was. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Deze maatregel was gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Dat staat in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Eiser verwijst naar ABRvS 13 mei 2005, zaaknummer 200502959/1 en ABRvS 22 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM3081.
4.Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190, r.o. 1; ABRvS 8 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2400, r.o. 1.
5.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (