Deze uitspraak betreft de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het niet eens met deze maatregel en heeft beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt of de minister de maatregel rechtmatig heeft opgelegd. De rechtbank komt tot de conclusie dat de aanhouding van eiser geen verkapt vreemdelingenrechtelijk karakter had en dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting heeft gewerkt. De rechtbank legt uit dat de aanhouding van eiser plaatsvond tijdens een verkeerscontrole, waarbij bleek dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland had. De rechtbank oordeelt dat de minister op de tweede dag na de inbewaringstelling een vertrekgesprek heeft gevoerd en op de vijfde dag een vlucht heeft aangevraagd. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.