ECLI:NL:RBDHA:2026:4559

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL25.61283 en NL25.61284
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 KwalificatierichtlijnArt. 30b, eerste lid, onder d, VwArt. 31, zesde lid, onder c, Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Sri Lankaanse vreemdeling wegens onvoldoende geloofwaardigheid en kennelijke ongegrondheid

Eiser, een Sri Lankaanse nationaliteit dragende vreemdeling, verzocht op 28 november 2025 om een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij gevaar loopt vanwege zijn hulp aan zijn broer bij diens vlucht uit Sri Lanka, waarbij familieleden betrokken waren die gelieerd zijn aan de LTTE. Verweerder wees de aanvraag op 13 december 2025 af als kennelijk ongegrond en nam op 17 december 2025 een aanvullend terugkeerbesluit, waarbij ook Ghana als land van terugkeer werd aangewezen.

De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 11 februari 2026. Eiser voerde aan dat verweerder onzorgvuldig handelde door niet te wachten op aanvullende politieoproepen die hij niet eerder kon overleggen vanwege detentie. Tevens stelde hij dat verweerder onvoldoende gemotiveerd had waarom zijn asielmotieven niet geloofwaardig waren en dat de opname van Ghana in het terugkeerbesluit onterecht was.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht niet op de aanvullende stukken hoefde te wachten, omdat niet duidelijk was welke stukken nog zouden volgen. De geloofwaardigheid van eisers relaas werd onvoldoende onderbouwd met objectieve documenten, en tegenstrijdigheden in verklaringen en politieoproepen werden terecht meegewogen. De opname van Ghana in het terugkeerbesluit was geoorloofd op basis van een removal order, zonder dat voorafgaand onderzoek naar toegang tot Ghana vereist was.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter E.M.A. Vinken.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.61283 en NL25.61284
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser], v-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. van der Lei).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Eiser heeft op 28 november 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 13 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Op 17 december 2025 heeft verweerder een aanvullend terugkeerbesluit genomen. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Ratnavelayutham als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Sri Lankaanse nationaliteit. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ter grondslag gelegd dat hij gezocht wordt door de autoriteiten omdat hij zijn broer heeft geholpen om uit Sri Lanka te vluchten. Eiser heeft verklaard dat zijn broer werd gezocht vanwege de activiteiten die hij heeft verricht voor de rechten van Tamil, waaronder het herdenken van familieleden die zijn omgekomen tijdens de strijd voor een onafhankelijk Tamil. Eiser heeft verder verklaard dat de autoriteiten hem hebben medegedeeld dat ze hem zullen oppakken als ze zijn broer niet kunnen vinden. Sinds het vertrek van eiser heeft zijn moeder twee oproepen van de politie ontvangen waarin eiser wordt opgedragen zich op het politiebureau te melden. Hij vreest bij terugkeer naar Sri Lanka te worden opgepakt, gemarteld en vermoord.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit twee asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. De gestelde problemen met de autoriteiten vanwege eisers broer.
3.1.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder vindt niet geloofwaardig dat eiser problemen heeft met de autoriteiten. Eiser heeft de gestelde problemen niet volledig onderbouwd met objectieve documenten. De overgelegde getuigenverklaring is niet afkomstig uit een objectieve bron en de foto’s die eiser heeft overgelegd zijn onvoldoende om het asielmotief te onderbouwen. Ook de oproepen van de politie, waarvan eiser foto’s en in beroep ook originelen heeft overgelegd, waarin hij wordt bevolen zich te melden in verband met een onderzoek naar zijn broer, zijn hiervoor onvoldoende. Niet is in te zien waarom deze oproepen, die zijn gedateerd van vóór het nader gehoor van eiser, niet eerder dan na de zienswijze zijn ingediend. De oproepen zijn, gelet op de datering, ook tegenstrijdig met eisers verklaring dat hij niets meer heeft gehoord van de autoriteiten sinds augustus 2025. Het ligt in de lijn der verwachting dat eiser op de hoogte zou zijn van de oproepen omdat hij zijn moeder nog heeft gesproken voorafgaand aan het nader gehoor. Ook vindt verweerder dat de stelling dat de politie eiser wil spreken, zoals zou volgen uit de oproepen, niet betekent dat hij een risico loopt op een schending van artikel 3 van Pro het EVRM. [1]
3.2.
Verweerder vindt ook dat de verklaringen van eiser geen aannemelijk en samenhangend geheel vormen. [2] Eiser heeft niet uitgelegd hoe de autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van de rol van eiser in het vertrek van zijn broer. Ook is uit eisers verklaringen niet gebleken dat er een concrete aanwijzing bestaat om aan te nemen dat de gestelde patrouilles van de geheime dienst die in zijn straat hebben plaatsgevonden, specifiek op eiser gericht waren. Eiser heeft daarbij niet duidelijk gemaakt of dit agenten van de geheime dienst betrof, of onbekende mannen. Verder heeft verweerder tegengeworpen dat eiser niet weet of de geheime dienst op de hoogte is van het vertrek van zijn broer, terwijl hij stelt dat hij gevaar loopt vanwege het helpen van zijn broer bij zijn vertrek. Eiser heeft na de gestelde huisbezoeken ook niets meer vernomen van de autoriteiten. De door eiser overgelegde rapporten maken dit niet anders, nu deze rapporten niet zien op zijn situatie. De rapporten gaan over personen die actief waren binnen de LTTE [3] , zichtbaar waren daarin of op wraaklijsten staan. De stukken gaan ook over familieleden van LTTE-leden en dat was de broer van eiser niet.
3.3.
Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. [4] Vervolgens heeft verweerder in het aanvullend besluit Sri Lanka en, op basis van een
removal order, Ghana aangewezen als landen van terugkeer.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert primair aan dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de samenwerkingsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel door de door hem overgelegde politieoproepen onvoldoende bij de besluitvorming te betrekken. Eiser heeft deze oproepen niet eerder kunnen overleggen omdat hij in bewaring verbleef en geen of beperkt contact kon hebben met familieleden. Verweerder was ervan op de hoogte dat eiser probeerde om de originelen van de documenten over te leggen en daar meer tijd voor nodig had, maar heeft ten onrechte niet gewacht met het nemen van een besluit.
4.1.
Subsidiair voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de problemen van eiser niet geloofwaardig zouden zijn. Eiser heeft met de getuigenverklaring en de politieoproepen documenten overgelegd die zijn problemen volledig onderbouwen en het relaas aannemelijk maken. Hiermee heeft hij voldaan aan stap 2A van Werkinstructie 2024/6 en had verweerder de asielmotieven als geloofwaardig moeten beoordelen.
4.2.
Meer subsidiair voert eiser aan dat verweerder onvoldoende waarde heeft toegekend aan de getuigenverklaring en de politieoproepen. De datering van de oproepen is volgens eiser geen reden om de stukken niet te betrekken, nu duidelijk is dat de documenten zijn gedateerd van ná zijn vertrek uit Sri Lanka. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de gestelde problemen niet geloofwaardig zijn omdat eiser niet aannemelijk en samenhangend zou hebben verklaard. Eiser heeft verklaard dat hij niet weet of de autoriteiten op de hoogte zijn van het vertrek van zijn broer omdat de veiligheidsdienst tijdens de huisbezoeken hem daar niet naar heeft gevraagd en er niets over heeft gezegd. Eiser kan dit dus niet weten. Verweerder heeft ook ten onrechte tegengeworpen dat eiser heeft verklaard over onbekende mannen die patrouilleerden in de straat, nu hij met de woorden ‘onbekende mannen’ probeerde aan te geven dat het personen betrof die zich normaal gesproken niet in zijn straat ophielden. Ten slotte heeft verweerder miskend dat de familie van eiser door de autoriteiten wordt gezien als een zogenoemde
victim family. Veel van eisers familieleden zijn omgekomen tijdens de oorlog omdat zij zich hadden ingezet aan de zijde van de LTTE.
4.3.
Verder voert eiser aan dat de wijze waarop verweerder de geloofwaardigheid van zijn asielmotief heeft beoordeeld in strijd is met artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn. Door enkel documenten toe te laten als bewijsmateriaal om te bezien of de verklaringen voldoende zijn gestaafd, wordt onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat niet alle feiten en omstandigheden en niet alle asielmotieven met documenten te staven zijn en met de omstandigheid dat in een acute vluchtsituatie niet kan worden verlangd dat eiser eerst documenten verzamelt alvorens te vluchten. [5]
4.4.
Tot slot voert eiser aan dat verweerder ten onrechte de aanvraag kennelijk ongegrond heeft verklaard, nu eiser niet met opzet heeft gehandeld toen hij zijn paspoort heeft afgegeven aan de reisagent. Ook is ten onrechte Ghana aangewezen als land van terugkeer.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
Had verweerder moeten wachten met het nemen van een besluit?
6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door niet te wachten op de stukken die eiser wenste over te leggen. Eiser heeft in zijn zienswijze aangegeven dat hij niet beschikte over enige documenten om zijn relaas te onderbouwen. Ook heeft eiser in de zienswijze aangegeven contact te hebben gehad met zijn familie en heeft hij verzocht om een termijn voor het indienen van nadere stukken. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voorafgaand aan het bestreden besluit onvoldoende duidelijk was op wat voor documenten gewacht moest worden en wat de reden zou zijn om op die stukken te wachten. Ook ter zitting heeft eiser niet onderbouwd dat hij duidelijk heeft gemaakt aan verweerder welke stukken het betrof en om welke reden verweerder op de stukken had moeten wachten alvorens een besluit te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder mogen vinden dat het asielmotief niet geloofwaardig is?
7. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet geloofwaardig is dat eiser problemen heeft met de Sri Lankaanse autoriteiten. In de eerste plaats is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft mogen vinden dat met de overgelegde documenten het asielmotief niet volledig is onderbouwd omdat de overgelegde getuigenverklaring niet afkomstig is uit een objectieve bron en dat de overgelegde foto’s van demonstraties en van eisers broer daartoe onvoldoende zijn. Verweerder heeft ook mogen vinden dat de verklaringen van eiser en de door hem overgelegde (foto’s van) oproepen van de politie niet met elkaar overeenkomen. De oproepen zijn gedateerd van 20 november 2025 en 1 december 2025, beide van vóór de datum van het nader gehoor. Eiser heeft in het gehoor desgevraagd aangegeven dat hij (sinds augustus 2025) niets meer had vernomen van de autoriteiten en dat hij zelf geen oproepen had ontvangen van de politie. Verweerder heeft deze tegenstrijdigheden terecht aan eiser tegengeworpen, nu verwacht had mogen worden dat hij ten tijde van het gehoor op de hoogte zou zijn geweest van de oproepen. Immers stond eiser voorafgaand aan het gehoor in contact met zijn familie en dit betreft de kern van zijn relaas. In de tweede plaats is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij niet weet of de autoriteiten op de hoogte zijn van het vertrek van zijn broer en van eisers rol bij het vertrek van zijn broer. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de stelling van eiser dat niet verwacht kan worden dat hij het gedrag van de autoriteiten volledig kan verklaren, betreft ook dit de kern van zijn relaas. Eiser stelt immers problemen te hebben met de autoriteiten vanwege zijn rol bij het vertrek van zijn broer. Ook stelt eiser dat de autoriteiten hem meermaals thuis hebben bezocht om te vragen naar zijn broer. Gelet hierop heeft verweerder mogen vinden dat het ontbreken van uitleg over deze punten afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers relaas. De beroepsgrond slaagt niet.
De geloofwaardigheidsbeoordeling in het algemeen
8. Eiser heeft subsidiair aangevoerd dat de wijze waarop verweerder de geloofwaardigheid van een asielrelaas beoordeelt in strijd is met het Unierecht, met name voor wat betreft het belang dat verweerder hecht aan het overleggen van objectieve documenten. De rechtbank ziet in dit betoog van eiser geen aanleiding voor het oordeel dat de door verweerder gehanteerde werkwijze onzorgvuldig is en in strijd is met het Unierecht. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verweerder geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt in de besluitvorming op de aanvraag van eiser. Ook blijkt in het geval van eiser niet dat verweerder het asielmotief alleen ongeloofwaardig vindt omdat hij geen objectieve documenten heeft overgelegd. Verweerder heeft namelijk gekeken naar de verklaringen van eiser, is vervolgens overgegaan tot een geloofwaardigheidsbeoordeling en heeft getoetst aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw (stap 2b). Omdat in dit geval niet aan alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw wordt voldaan, heeft verweerder het asielmotief niet geloofwaardig gevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar anders over te denken door de prejudiciële vragen die deze rechtbank, zittingsplaats Roermond heeft gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht verweerder de aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond?
9. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond omdat hij in [plaats] zijn paspoort aan een reisagent heeft gegeven. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de uitleg van eiser dat hij de instructies van de reisagent volgde en niet wist dat er gevolgen zouden zijn voor het afgeven van het paspoort, doet dit niet af aan het feit dat hij het paspoort aan de reisagent heeft gegeven en het daarmee heeft weggemaakt. Verweerder heeft daarom terecht toepassing gegeven aan artikel 30b, eerste lid, onder d, van de Vw.
Mocht verweerder Ghana opnemen in het terugkeerbesluit?
10. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het aanvullend besluit van 17 december 2025 (ook) Ghana heeft aangewezen als land van terugkeer. Verweerder heeft Ghana opgenomen in het terugkeerbesluit vanwege een removal order naar Ghana. Eiser voert aan dat er geen zekerheid is dat hij zal worden toegelaten tot Ghana en dat hij, zonder middelen om een ticket naar een ander land te kopen, vast zal komen te zitten op de luchthaven. [6]
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte (ook) Ghana in het aanvullend terugkeerbesluit heeft opgenomen, mede op grond van de aanwezige removal order. De hoogste bestuursrechter heeft namelijk overwogen dat het voor verweerder mogelijk is om op basis van een removal order een derde land, via welk de vreemdeling het EU-gebied is binnengekomen, [7] op te nemen in het terugkeerbesluit. [8] Anders dan eiser betoogt, hoeft verweerder bij het nemen van een dergelijk terugkeerbesluit geen onderzoek te doen naar de vraag of eiser toegang zal worden verleend tot dit derde land. De removal order geldt als aanwijzing dat eiser via het genoemde land terug kan keren naar zijn land van herkomst en dat hem zo nodig toegang zal worden verleend. Bij de daadwerkelijke uitzetting met behulp van de removal order zal verweerder (door tussenkomst van de Dienst Terugkeer en Vertrek) moeten nagaan of dit op dat moment feitelijk mogelijk is.
10.2.
Verweerder moet bij het opleggen van het terugkeerbesluit beoordelen of eiser bij terugkeer naar het derde land het risico loopt op een schending van artikel 3 van Pro het EVRM. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraak van 9 juni 2021 [9] beschreven dat verweerder daarom de vreemdeling moet horen over een eventuele terugkeer naar het in het terugkeerbesluit (derde) genoemde land. De rechtbank overweegt dat eiser tijdens het aanvullend gehoor is bevraagd over een eventuele terugkeer naar Ghana op grond van de aanwezige removal order. Verweerder heeft zich vervolgens op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken dat terugkeer naar Ghana leidt tot een situatie in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond.
12. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Op grond van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Liberation Tigers of Tamil Eelam.
4.Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder d, van de Vw.
5.Eiser verwijst daarbij naar de prejudiciële vragen gesteld door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, in de uitspraak van 18 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2170.
6.Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 16 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21421.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1970.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2843.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155, onder r.o. 8.