4.4.Tot slot voert eiser aan dat verweerder ten onrechte de aanvraag kennelijk ongegrond heeft verklaard, nu eiser niet met opzet heeft gehandeld toen hij zijn paspoort heeft afgegeven aan de reisagent. Ook is ten onrechte Ghana aangewezen als land van terugkeer.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
Had verweerder moeten wachten met het nemen van een besluit?
6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door niet te wachten op de stukken die eiser wenste over te leggen. Eiser heeft in zijn zienswijze aangegeven dat hij niet beschikte over enige documenten om zijn relaas te onderbouwen. Ook heeft eiser in de zienswijze aangegeven contact te hebben gehad met zijn familie en heeft hij verzocht om een termijn voor het indienen van nadere stukken. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voorafgaand aan het bestreden besluit onvoldoende duidelijk was op wat voor documenten gewacht moest worden en wat de reden zou zijn om op die stukken te wachten. Ook ter zitting heeft eiser niet onderbouwd dat hij duidelijk heeft gemaakt aan verweerder welke stukken het betrof en om welke reden verweerder op de stukken had moeten wachten alvorens een besluit te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder mogen vinden dat het asielmotief niet geloofwaardig is?
7. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet geloofwaardig is dat eiser problemen heeft met de Sri Lankaanse autoriteiten. In de eerste plaats is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft mogen vinden dat met de overgelegde documenten het asielmotief niet volledig is onderbouwd omdat de overgelegde getuigenverklaring niet afkomstig is uit een objectieve bron en dat de overgelegde foto’s van demonstraties en van eisers broer daartoe onvoldoende zijn. Verweerder heeft ook mogen vinden dat de verklaringen van eiser en de door hem overgelegde (foto’s van) oproepen van de politie niet met elkaar overeenkomen. De oproepen zijn gedateerd van 20 november 2025 en 1 december 2025, beide van vóór de datum van het nader gehoor. Eiser heeft in het gehoor desgevraagd aangegeven dat hij (sinds augustus 2025) niets meer had vernomen van de autoriteiten en dat hij zelf geen oproepen had ontvangen van de politie. Verweerder heeft deze tegenstrijdigheden terecht aan eiser tegengeworpen, nu verwacht had mogen worden dat hij ten tijde van het gehoor op de hoogte zou zijn geweest van de oproepen. Immers stond eiser voorafgaand aan het gehoor in contact met zijn familie en dit betreft de kern van zijn relaas. In de tweede plaats is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij niet weet of de autoriteiten op de hoogte zijn van het vertrek van zijn broer en van eisers rol bij het vertrek van zijn broer. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de stelling van eiser dat niet verwacht kan worden dat hij het gedrag van de autoriteiten volledig kan verklaren, betreft ook dit de kern van zijn relaas. Eiser stelt immers problemen te hebben met de autoriteiten vanwege zijn rol bij het vertrek van zijn broer. Ook stelt eiser dat de autoriteiten hem meermaals thuis hebben bezocht om te vragen naar zijn broer. Gelet hierop heeft verweerder mogen vinden dat het ontbreken van uitleg over deze punten afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers relaas. De beroepsgrond slaagt niet.
De geloofwaardigheidsbeoordeling in het algemeen
8. Eiser heeft subsidiair aangevoerd dat de wijze waarop verweerder de geloofwaardigheid van een asielrelaas beoordeelt in strijd is met het Unierecht, met name voor wat betreft het belang dat verweerder hecht aan het overleggen van objectieve documenten. De rechtbank ziet in dit betoog van eiser geen aanleiding voor het oordeel dat de door verweerder gehanteerde werkwijze onzorgvuldig is en in strijd is met het Unierecht. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verweerder geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt in de besluitvorming op de aanvraag van eiser. Ook blijkt in het geval van eiser niet dat verweerder het asielmotief alleen ongeloofwaardig vindt omdat hij geen objectieve documenten heeft overgelegd. Verweerder heeft namelijk gekeken naar de verklaringen van eiser, is vervolgens overgegaan tot een geloofwaardigheidsbeoordeling en heeft getoetst aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw (stap 2b). Omdat in dit geval niet aan alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw wordt voldaan, heeft verweerder het asielmotief niet geloofwaardig gevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar anders over te denken door de prejudiciële vragen die deze rechtbank, zittingsplaats Roermond heeft gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht verweerder de aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond?
9. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond omdat hij in [plaats] zijn paspoort aan een reisagent heeft gegeven. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de uitleg van eiser dat hij de instructies van de reisagent volgde en niet wist dat er gevolgen zouden zijn voor het afgeven van het paspoort, doet dit niet af aan het feit dat hij het paspoort aan de reisagent heeft gegeven en het daarmee heeft weggemaakt. Verweerder heeft daarom terecht toepassing gegeven aan artikel 30b, eerste lid, onder d, van de Vw.
Mocht verweerder Ghana opnemen in het terugkeerbesluit?
10. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het aanvullend besluit van 17 december 2025 (ook) Ghana heeft aangewezen als land van terugkeer. Verweerder heeft Ghana opgenomen in het terugkeerbesluit vanwege een removal order naar Ghana. Eiser voert aan dat er geen zekerheid is dat hij zal worden toegelaten tot Ghana en dat hij, zonder middelen om een ticket naar een ander land te kopen, vast zal komen te zitten op de luchthaven.