ECLI:NL:RVS:2024:2843
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrond verklaring beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 24 maart 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel gegrond en beval de opheffing ervan op 16 april 2024. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de overschrijding van de termijn uit artikel 83b, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel, conform haar eerdere uitspraak van 28 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2639). Hierdoor slaagt het hoger beroep van de minister en wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
De Afdeling beoordeelt vervolgens het beroep van de vreemdeling inhoudelijk. Het verweer dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of het non-refoulementbeginsel wordt nageleefd bij terugkeer naar China faalt, omdat de minister bij het afwijzen van de asielaanvraag op 3 april 2024 een terugkeerbesluit heeft genomen met beoordeling van het non-refoulementbeginsel voor terugkeer naar Senegal, het land van herkomst. Indien terugkeer naar China dreigt, moet de minister een nieuw terugkeerbesluit nemen waartegen rechtsmiddelen openstaan.
De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.