ECLI:NL:RBDHA:2025:21421

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
NL25.34276 en NL25.34277
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 30b VwArt. 31 VwArt. 62 VwArt. 66a Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke vernietiging terugkeerbesluit Zuid-Afrika bij afwijzing asielaanvraag wegens motiveringsgebrek

Eiser, een Nepalese asielzoeker, diende op 6 juli 2025 een asielaanvraag in die door verweerder op 20 juli 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens legde verweerder een terugkeerbesluit op voor Nepal en Zuid-Afrika en een inreisverbod van twee jaar. Eiser betwistte deze besluiten en voerde onder meer aan dat zijn identiteit en politieke problemen vanwege zijn lidmaatschap van de RPP partij geloofwaardig zijn.

De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een terugkeerbesluit voor Zuid-Afrika is opgelegd, terwijl eiser geen banden met Zuid-Afrika heeft en de verwijzing naar een removal order ontoereikend is. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de identiteit van eiser en zijn politieke problemen niet geloofwaardig zijn, mede vanwege het ontbreken van originele documenten en onvoldoende bewijs van een arrestatiebevel.

Verder is het terugkeerbesluit voor Nepal en het inreisverbod terecht opgelegd en blijven deze rechtsgevolgen in stand. Het beroep wordt daarom slechts gedeeltelijk toegewezen door het terugkeerbesluit voor Zuid-Afrika te vernietigen, terwijl de overige besluiten gehandhaafd blijven. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit voor Zuid-Afrika wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, terwijl de afwijzing van de asielaanvraag, het terugkeerbesluit voor Nepal en het inreisverbod in stand blijven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34276 (beroep) en NL25.34277 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker, hierna: eiser,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Sewnath),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Gigengack).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, maar dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven
.Het beroep is gegrond, omdat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij een terugkeerbesluit heeft opgelegd voor Zuid-Afrika. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de identiteit van eiser en de problemen vanwege de betrokkenheid van eiser bij de RPP partij ongeloofwaardig zijn. Ook heeft verweerder terecht een terugkeerbesluit voor Nepal en een inreisverbod uitgevaardigd. De rechtbank bepaalt dan ook dat door het motiveringsgebrek het bestreden besluit gedeeltelijk vernietigd wordt, maar dat dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor het overige in stand blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 6 juli 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt de Nepalese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1971. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 20 juli 2025 de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft verweerder een terugkeerbesluit ten aanzien van Nepal en Zuid-Afrika aan eiser opgelegd. Eiser krijgt ook een inreisverbod van twee jaar.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Paudyal als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft verklaard dat hij actief lid is van de RPP [1] , een politieke partij in Nepal. Hij heeft hand-en-spandiensten voor de partij verricht en met anderen in kleine kring gesproken over de idealen van de partij. Eiser heeft discussies gehad met communisten en hij ontving daarna bedreigingen. Hij was aanwezig bij een grote partijbijeenkomst in Kathmandu op 30 december 2024. Eiser vermoedt dat hij daar herkend is. Hij las op 9 januari 2025 in een krantenartikel dat er een arrestatiebevel tegen hem was uitgevaardigd. Hij vermoedt dat dit is gebeurd vanwege betrokkenheid bij deze verboden politieke bijeenkomst. Daarop is hij in januari 2025 het land ontvlucht. Hij vreest bij terugkeer een gevangenisstraf of de dood.

Bestreden besluit

4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d en e van de Vw. Ook heeft verweerder een terugkeerbesluit en inreisverbod van 2 jaar opgelegd. Verweerder stelt dat eisers asielrelaas uit de volgende asielmotieven bestaat:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen vanwege betrokkenheid bij de RPP.
4.1.
Verweerder acht eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn identiteit is ongeloofwaardig. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zijn identiteit onvoldoende met documenten heeft onderbouwd en daarvoor geen goede verklaring heeft. Ook werpt verweerder tegen dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd, omdat hij zich opzettelijk heeft ontdaan van zijn paspoort.
4.2.
De problemen vanwege de betrokkenheid bij de RPP acht verweerder ook niet geloofwaardig. Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd en hij heeft daarvoor geen goede verklaring. Daarnaast vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een arrestatiebevel tegen hem is uitgevaardigd. Uit onderzoek door verweerder naar de krant die eiser heeft genoemd, blijkt niet dat er melding is gemaakt van een arrestatiebevel ten aanzien van eiser in de periode tussen 1 en 9 januari 2025. Ook heeft eiser de partijbijeenkomst op 30 december 2024 niet aannemelijk gemaakt. Uit openbare bronnen blijkt niet dat er op 30 december 2024 een bijeenkomst was van de RPP. Daarnaast stelt verweerder dat de verklaringen van eiser over het arrestatiebevel vaag en niet samenhangend zijn en dat zijn verklaringen zijn gebaseerd op vermoedens. Verder vindt verweerder dat eiser vaag en oppervlakkig over de RPP en zijn activiteiten voor de RPP heeft verklaard. Tot slot werpt verweerder tegen dat eiser in grote lijnen als niet geloofwaardig kan worden beschouwd, nu hij zich opzettelijk heeft ontdaan van zijn paspoort.
Heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de identiteit van eiser ongeloofwaardig is?
5. Eiser voert aan dat hij van begin af aan consistente en verifieerbare verklaringen over zijn identiteit heeft afgelegd. Ter onderbouwing heeft hij kopieën overgelegd van zijn Nepalese paspoort, nationale identiteitskaart, huwelijksakte en lidmaatschapsbewijs van de RPP. Deze documenten bevestigen zijn personalia en achtergrond. Dat alleen kopieën zijn verstrekt doet er niet aan af dat verweerder die ook moet betrekken bij de beoordeling, te meer omdat de originele stukken door zijn familie in Nepal verzonden zijn en onderweg zijn naar Nederland. Van eiser mag niet verwacht worden dat hij onder de moeilijke omstandigheden van zijn vlucht alle originele documenten bij zich draagt, zolang aannemelijk is gemaakt dat deze documenten bestaan en spoedig zullen worden overgelegd. Daarnaast is het verwijt dat eiser zich bewust van zijn paspoort heeft ontdaan ongegrond. Het miskent de realiteit van vluchtelingen die zijn aangewezen op mensensmokkelaars. Eiser bevond zich tijdens zijn reis in een afhankelijke positie ten opzichte van de mensensmokkelaars en diende onder grote druk beslissingen te nemen. Het afgeven van zijn paspoort vond plaats onder dwang en onzekerheid tijdens de tocht. Het besluit is op dit punt onzorgvuldig gemotiveerd.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de identiteit van eiser niet geloofwaardig is, nu eiser alleen kopieën heeft overgelegd van zijn identiteitsdocumenten en geen goede verklaring heeft waarom hij de originele identiteitsdocumenten niet heeft overgelegd. [2] Eiser heeft namelijk bij het aanmeldgehoor op 9 juli 2025 al verklaard dat hij bezig was om zijn originele identiteitsdocumenten op te vragen. [3] Tijdens het nader gehoor op 16 juli 2025 heeft hij verklaard dat zijn neef bezig was met het opsturen van de documenten en dat ze morgen aan zouden komen. [4] Verweerder heeft dan ook mogen tegenwerpen dat eiser ten tijde van het bestreden besluit van 20 juli 2025 nog geen originele identiteitsdocumenten had overgelegd. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser ten tijde van de zitting nog steeds geen originele identiteitsdocumenten heeft overgelegd en geen goede verklaring heeft waarom zij er nog niet zijn, nu hij deze al op 9 juli 2025 heeft opgevraagd.
5.2
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ook op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is geweest van dwang bij het afgeven van het paspoort. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen achten dat eiser heeft verklaard [5] dat hij de redenering van de reisagent, dat eiser niet met twee paspoorten (zijn valse paspoort en zijn originele paspoort) kon reizen en daarom in de problemen zou komen als hij zijn originele paspoort niet aan de reisagent zou afgeven, logisch vond en daarom heeft meegewerkt aan het afgeven van zijn originele paspoort. De rechtbank is echter van oordeel dat deze omstandigheid op zichzelf onvoldoende is om te concluderen dat eiser in grote lijnen als niet geloofwaardig kan worden beschouwd. [6] Uit paragraaf C1/4.3.2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat een vreemdeling in grote lijnen als niet geloofwaardig wordt beschouwd als hij in deze of een andere procedure verklaringen aflegt die dusdanig ongeloofwaardig zijn dat ze de geloofwaardigheid van de vreemdeling in zijn algemeenheid aantasten. Niet is gebleken dat hiervan sprake is of dat hij valse reis- of identiteitspapieren heeft overgelegd. Dit laat onverlet dat verweerder, zoals hiervoor is overwogen, zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat eiser alleen kopieën heeft overgelegd van zijn identiteitsdocumenten en geen goede verklaring heeft waarom hij de originele documenten niet heeft overgelegd. Daarmee heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat de identiteit van eiser niet geloofwaardig is. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de problemen vanwege de betrokkenheid bij de RPP partij ongeloofwaardig zijn?
6. Eiser voert aan dat het oordeel van verweerder – dat eisers betrokkenheid bij de RPP ongeloofwaardig is – onterecht is. Eiser heeft gedetailleerd verklaard over zijn activiteiten voor en lidmaatschap van de RPP. Hij heeft onderbouwd dat hij op 30 december 2024 in Kathmandu deelnam aan een grote partijbijeenkomst. Dat deze partijbijeenkomst massaal was, blijkt uit zijn consistente verklaringen en strookt met de politieke activiteiten van de RPP destijds. Het enkele feit dat er geen digitale nieuwsarchieven van dit protest voorhanden zijn, betekent niet dat het niet heeft plaatsgevonden. De mediavrijheid in Nepal is beperkt als het gaat om gevoelige politieke oppositie-activiteiten. De omstandigheden dat eiser lid is van de RPP, deelgenomen heeft aan een partijbijeenkomst, en dat er een arrestatiebevel is uitgevaardigd, vormen consistente en geloofwaardige indicaties van zijn politieke problemen in Nepal. Eiser verkeerde in een moeilijke positie tijdens zijn vlucht, en kon daarom geen originele en persoonlijke documenten bij zich dragen. Eiser heeft na aankomst direct stappen ondernomen om de benodigde originele stukken alsnog te verkrijgen. Verweerder had ten minste de aankomst van de documenten kunnen afwachten of nader onderzoek kunnen verrichten.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de problemen vanwege de betrokkenheid bij de RPP niet geloofwaardig zijn. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser het arrestatiebevel en krantenartikel niet heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. Dat eiser aanvoert dat hij wel een kopie van zijn lidmaatschapsbewijs van de RPP heeft overgelegd doet daar niet aan af, nu eisers asielmotief vooral verband houdt met het arrestatiebevel en de bijeenkomst op 30 december 2024 en hij juist daarvan geen documenten heeft overgelegd. Verweerder heeft daarbij ook mogen tegenwerpen dat het niet aannemelijk is dat er geen (nieuws)bron te vinden is waaruit volgt dat deze partijbijeenkomst plaatsvond, vooral nu eiser heeft verklaard dat er tussen de 50.000 en 60.000 mensen waren en er zelfs iemand doodgeschoten is.
6.2
Verweerder heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat de verklaringen van eiser over het arrestatiebevel geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft namelijk in het nader gehoor verklaard [7] dat hij het arrestatiebevel nooit gelokaliseerd heeft [8] , dat hij het arrestatiebevel nooit zelf in ontvangst heeft genomen en dat zijn vrouw het ook niet heeft ontvangen. [9] In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor stelt hij echter dat een kopie van het originele arrestatiebevel onderweg is naar Nederland. Dat rijmt niet met de verklaringen van eiser dat dit bevel nooit door hem of zijn vrouw ontvangen is, en nooit gelokaliseerd is. Ter zitting is gebleken dat het arrestatiebevel nog steeds niet is ontvangen. Daarnaast heeft verweerder ook mogen tegenwerpen dat eiser vaag en oppervlakkig heeft verklaard over de RPP en zijn activiteiten voor de RPP. Eiser heeft namelijk alleen kunnen verklaren dat het logo van de RPP een koe is, maar niet welke kleur het logo heeft. [10] Verweerder heeft dit kunnen tegenwerpen nu eiser al jaren betrokken is bij de partij en actief lid stelt te zijn. Ook heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser vaag en oppervlakkig heeft verklaard over hoe hij precies probeerde mensen te overtuigen van de standpunten van de partij om ze naar de bijeenkomsten te krijgen, omdat hij alleen kan verklaren waar deze gesprekken plaatsvonden maar niet hoe hij mensen probeerde te overtuigen. [11]
6.3.
Zoals hiervoor onder 5.2 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat eiser zijn paspoort heeft afgegeven onvoldoende is om hem in grote lijnen als niet geloofwaardig te beschouwen. Dit laat onverlet dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiser zijn problemen vanwege betrokkenheid bij de RPP ongeloofwaardig zijn, nu eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en hij daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven en de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder een terugkeerbesluit voor Zuid-Afrika en Nepal mogen uitvaardigen?
7. Eiser voert aan dat verweerder geen terugkeerbesluit voor Zuid-Afrika mocht uitvaardigen. Het besluit is ondeugdelijk gemotiveerd. Hij verbleef ruim twee maanden illegaal in Zuid-Afrika. Hij heeft daar geen rechtmatig verblijf of officiële status gekregen. Hij heeft geen enkele garantie om Zuid-Afrika daadwerkelijk binnen te komen. Recente jurisprudentie bevestigt dat een terugkeerbesluit dat louter is gebaseerd op een removal order niet in stand kan blijven wanneer niet gewaarborgd is dat betrokkene toegang tot dat land zal krijgen. Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 12 februari 2025 [12] . Het terugkeerbesluit voor Nepal kan volgens eiser ook niet in stand blijven, nu eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege zijn politieke achtergrond.
7.1.
In het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd voor zowel Nepal als Zuid-Afrika. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser met een removal order kan terugkeren naar de luchthaven van Kaapstad in Zuid-Afrika. Eiser heeft niet verklaard waarom hij niet naar Zuid-Afrika kan terugkeren en uit zijn verklaringen blijkt niet dat er voor hem bij terugkeer een risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM [13] ontstaat. Hierbij betrekt verweerder dat eiser eerder tweeënhalve maand tot drie maanden in Zuid-Afrika heeft verbleven zonder geldig paspoort. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser via Zuid-Afrika kan terugkeren naar Nepal, en dat niet van hem verwacht wordt dat hij langere tijd in Zuid-Afrika blijft.
7.2.
Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat Zuid-Afrika als land van doorreis geldt. Verweerder verwijst naar het Verdrag van Chicago, waar Zuid-Afrika partij bij is, en dat dit een ‘andere regeling’ is als bedoeld in artikel 3, derde lid van de Terugkeerrichtlijn [14] en op grond daarvan toegang tot Zuid-Afrika gewaarborgd is. Dit brengt de verplichting voor Zuid-Afrika met zich mee om eiser te accepteren. Daarbij is een ‘covering letter’ opgesteld zoals bedoeld paragraaf A1/9 van de Vc. Het Verdrag van Chicago regelt hoe om te gaan met vreemdelingen aan wie toegang is geweigerd, zoals bij eiser ook het geval is. Op grond daarvan kan eiser terugkeren met een removal order naar Zuid-Afrika. Hiermee is zijn toegang tot Zuid-Afrika gewaarborgd. Verweerder verwijst in dit kader naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 5 september 2014 [15] .
7.3.
De rechtbank betrekt bij de beoordeling van het beroep de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 juni 2021 [16] . Daarin heeft de Afdeling het volgende overwogen: ‘
De uitleg van het Hof in de arresten FMS e.a. en M e.a. sluit echter niet uit dat in een terugkeerbesluit meer landen van terugkeer worden genoemd als er voor de betrokken vreemdeling meer mogelijke landen in beeld zijn. Die situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een vreemdeling banden heeft met verschillende derde landen, aliassen heeft gebruikt of er concrete aanwijzingen zijn dat hij uit een ander land komt dan hij stelt. Ook biedt de uitleg van het Hof ruimte om bij meeromvattende beschikkingen die ook een terugkeerbesluit omvatten, het land van terugkeer uit de motivering van de beschikking af te leiden’.
7.4.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met een verwijzing naar de removal order onvoldoende heeft gemotiveerd dat Zuid-Afrika een beoogd land van terugkeer is. Eiser heeft de Nepalese nationaliteit en vaststaat dat verweerder dit geloofwaardig heeft geacht. Verder heeft eiser – onbetwist – gesteld geen banden met Zuid-Afrika te hebben. De omstandigheden dat eiser eerder al ruim twee maanden illegaal in Zuid-Afrika heeft verbleven en dat hij met een ‘removal order’ terug kan keren naar de luchthaven van Zuid -Afrika, zijn volgens de rechtbank niet voldoende om binding met Zuid-Afrika aan te nemen. De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting een ander standpunt heeft ingenomen dan in het bestreden besluit is ingenomen. Verweerder stelt namelijk dat Zuid-Afrika voor eiser als land van doorreis geldt en dat het bij de oplegging van het terugkeerbesluit op grond van de removal order niet nodig is dat eiser banden heeft met Zuid-Afrika. Voor zover verweerder heeft bedoeld dat de rechtbank dit standpunt als een aanvulling op het bestreden besluit moet beschouwen, kan de rechtbank dit standpunt zonder nadere motivering niet volgen. Niet is gemotiveerd dat Zuid-Afrika voor eiser een land van doorreis is. Verweerder gaat er blijkens het bestreden besluit ook vanuit dat eiser daar ruim twee maanden heeft verbleven. Naar het oordeel van de rechtbank lag het op de weg van verweerder, nu hij een terugkeerbesluit voor meerdere landen oplegt, om – conform voornoemde uitspraak van de Afdeling – te toetsen of eiser banden heeft met Zuid-Afrika. Ter zitting heeft verweerder niet toegelicht waarom deze jurisprudentie niet geldt in de situatie van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat hij banden heeft met Zuid-Afrika en dat hij kan terugkeren naar Zuid-Afrika.
7.5.
De rechtbank heeft in overweging 6.1 tot en met 6.3. overwogen dat verweerder de gestelde problemen van eiser vanwege zijn betrokkenheid bij de RPP niet geloofwaardig heeft hoeven vinden. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Nepal niet hoeft te vrezen voor vervolging of een risico op ernstige schade. Dit maakt volgens de rechtbank dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser kan terugkeren naar Nepal.
7.6
Gelet op het voorgaande, slaagt de beroepsgrond van eiser voor zover dit ziet op het terugkeerbesluit voor Zuid-Afrika.
Heeft verweerder een inreisverbod kunnen opleggen?
8. Eiser voert aan dat het inreisverbod in deze situatie disproportioneel en prematuur is opgelegd, nu de inhoudelijke gronden van zijn asielaanvraag nog in behandeling zijn in de beroepsprocedure. Zolang niet onherroepelijk vaststaat dat zijn asielclaim ongegrond is, behoort een bestraffende maatregel als deze achterwege te blijven. Het opleggen van een inreisverbod bemoeilijkt zijn positie onevenredig, nu er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat zijn zaak ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgedaan. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat verweerder pas vanaf het moment dat het terugkeerbesluit met de vertrektermijn van nul dagen in rechte vast staat een inreisverbod mag opleggen. Eiser moet eerst de gelegenheid krijgen de vertrektermijn van nul dagen aan te vechten, voordat een inreisverbod kan worden opgelegd. Eiser doet daarbij een beroep op het arrest Al Hoceima van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 1 augustus 2025. [17] Ook heeft eiser een beroep gedaan op het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025 [18] .
8.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de wet (artikel 66a, eerste lid, sub a, van de Vw en artikel 62, tweede lid, sub b, van de Vw) volgt dat verweerder een inreisverbod oplegt als de vreemdeling Nederland direct moet verlaten (of wel: hij een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van nul dagen opgelegd krijgt) omdat zijn aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond. De verwijzing naar het arrest Al Hociema treft geen doel, nu - anders dan in België waar dit arrest op ziet - er in Nederland wel een rechtsmiddel openstaat tegen een terugkeerbesluit waarbij ook de vertrektermijn aan de orde kan komen. In het terugkeerbesluit van eiser is opgenomen dat hij een vertrektermijn van nul dagen krijgt. Daartegen heeft hij in rechte kunnen opkomen en daarmee ook tegen de grondslag van het opgelegde inreisverbod. De rechtbank wijst er daarnaast op dat uit artikel 66a, vierde lid, van de Vw volgt dat het opgelegde inreisverbod pas ingaat als de vreemdeling Nederland heeft verlaten. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het op zitting aangevoerde Adrar-arrest niet relevant is in de onderhavige zaak. In dit arrest is namelijk besloten dat de nationale rechter, die de rechtmatigheid moet toetsen van de inbewaringstelling van een vreemdeling met het oog op diens verwijdering ter uitvoering van een definitief terugkeerbesluit, ook verplicht is om na te gaan of het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind en het familie- en gezinsleven zich verzetten tegen die verwijdering. De rechtbank ziet niet in, in hoeverre dit relevant is of van toepassing is op de onderhavige zaak. Eiser heeft dit ter zitting ook niet kunnen verduidelijken. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond omdat het een motiveringsgebrek bevat. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij een terugkeerbesluit heeft opgelegd voor Zuid-Afrika. Het bestreden besluit komt daarom voor gedeeltelijke vernietiging in aanmerking, namelijk voor zover dit ziet op het terugkeerbesluit voor Zuid-Afrika.
10. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. De rechtbank is namelijk van oordeel dat verweerder zich wel op het standpunt heeft kunnen stellen dat zij de identiteit en de problemen van eiser vanwege betrokkenheid bij de RPP ongeloofwaardig vindt. Daarnaast heeft verweerder ook op goede gronden een terugkeerbesluit voor Nepal en een inreisverbod opgelegd. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond in stand blijft. Hierdoor blijven ook het terugkeerbesluit naar Nepal en het inreisverbod in stand. Dat betekent dat eiser de door hem gevraagde asielvergunning niet krijgt en zal moeten terugkeren naar Nepal.
11. Nu de rechtbank deze beslissing neemt over eisers beroep, is er geen aanleiding
meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek
daartoe dan ook af.
12. Gezien de beslissing over eisers beroep, dient verweerder te worden veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten bedragen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in totaal € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, € 907,- per punt en wegingsfactor 1)

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 20 juli 2025 gedeeltelijk, namelijk voor zover in het bestreden besluit aan eiser een terugkeerbesluit voor Zuid-Afrika is uitgevaardigd;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor het overige in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van €1.814,-
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 907,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rastriya Prajatantra Partij.
2.Artikel 31, zesde lid, sub b, van de Vw.
3.Verslag gehoor aanmeldfase, p. 8.
4.Verslag nader gehoor, p. 7.
5.Verslag gehoor aanmeldfase, p. 5.
6.Artikel 31, zesde lid, sub e, van de Vw.
7.Verslag nader gehoor, p. 4.
8.Verslag nader gehoor, p. 3.
9.Verslag nader gehoor, p. 16.
10.Verslag nader gehoor, p. 16.
11.Verslag nader gehoor, p. 12.
13.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
14.Richtlijn 2008/115/EG.
15.Zaaknummer: AWB 14/11772.
16.ECLI:NL:RVS:2021:1155, rechtsoverweging 7.1.
17.ECLI:EU:C:2025:603.
18.ECLI:EU:C:2025:647.