8.1.De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de wet (artikel 66a, eerste lid, sub a, van de Vw en artikel 62, tweede lid, sub b, van de Vw) volgt dat verweerder een inreisverbod oplegt als de vreemdeling Nederland direct moet verlaten (of wel: hij een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van nul dagen opgelegd krijgt) omdat zijn aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond. De verwijzing naar het arrest Al Hociema treft geen doel, nu - anders dan in België waar dit arrest op ziet - er in Nederland wel een rechtsmiddel openstaat tegen een terugkeerbesluit waarbij ook de vertrektermijn aan de orde kan komen. In het terugkeerbesluit van eiser is opgenomen dat hij een vertrektermijn van nul dagen krijgt. Daartegen heeft hij in rechte kunnen opkomen en daarmee ook tegen de grondslag van het opgelegde inreisverbod. De rechtbank wijst er daarnaast op dat uit artikel 66a, vierde lid, van de Vw volgt dat het opgelegde inreisverbod pas ingaat als de vreemdeling Nederland heeft verlaten. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het op zitting aangevoerde Adrar-arrest niet relevant is in de onderhavige zaak. In dit arrest is namelijk besloten dat de nationale rechter, die de rechtmatigheid moet toetsen van de inbewaringstelling van een vreemdeling met het oog op diens verwijdering ter uitvoering van een definitief terugkeerbesluit, ook verplicht is om na te gaan of het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind en het familie- en gezinsleven zich verzetten tegen die verwijdering. De rechtbank ziet niet in, in hoeverre dit relevant is of van toepassing is op de onderhavige zaak. Eiser heeft dit ter zitting ook niet kunnen verduidelijken. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Het beroep is gegrond omdat het een motiveringsgebrek bevat. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij een terugkeerbesluit heeft opgelegd voor Zuid-Afrika. Het bestreden besluit komt daarom voor gedeeltelijke vernietiging in aanmerking, namelijk voor zover dit ziet op het terugkeerbesluit voor Zuid-Afrika.
10. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. De rechtbank is namelijk van oordeel dat verweerder zich wel op het standpunt heeft kunnen stellen dat zij de identiteit en de problemen van eiser vanwege betrokkenheid bij de RPP ongeloofwaardig vindt. Daarnaast heeft verweerder ook op goede gronden een terugkeerbesluit voor Nepal en een inreisverbod opgelegd. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond in stand blijft. Hierdoor blijven ook het terugkeerbesluit naar Nepal en het inreisverbod in stand. Dat betekent dat eiser de door hem gevraagde asielvergunning niet krijgt en zal moeten terugkeren naar Nepal.
11. Nu de rechtbank deze beslissing neemt over eisers beroep, is er geen aanleiding
meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek
daartoe dan ook af.
12. Gezien de beslissing over eisers beroep, dient verweerder te worden veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten bedragen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in totaal € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, € 907,- per punt en wegingsfactor 1)