ECLI:NL:RBDHA:2026:4547

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
25/693
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.18 WHWArt. 7.19 WHWArt. 7.1 PromotiereglementArt. 7.3 PromotiereglementArt. 7.6 Promotiereglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging No-Go-besluit beëindiging promotietraject wegens procedurele onzorgvuldigheden

Eiser startte op 1 december 2022 een promotietraject aan de TU Delft. Tijdens het traject ontstond een langdurig conflict met een supervisor, wat leidde tot een vertraagde Go/No-Go-meeting op 19 april 2024. De commissie adviseerde unaniem een No-Go, waarna het college voor promoties het traject op 30 april 2024 beëindigde.

Eiser stelde dat het besluit onzorgvuldig was genomen, met schending van procedurele regels, onjuiste samenstelling van de commissie en onvoldoende betrokkenheid van supervisors. De rechtbank oordeelde dat het college bevoegd was, maar dat het besluit niet zorgvuldig en transparant tot stand was gekomen. De Go/No-Go-meeting vond te laat plaats, de dagelijkse supervisor was onjuist aangeduid en essentiële documenten waren niet betrokken.

De rechtbank concludeerde dat eiser niet met de vereiste zorgvuldigheid en consistentie was behandeld, waardoor het No-Go-besluit vernietigd werd en het primaire besluit werd herroepen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het No-Go-besluit tot beëindiging van het promotietraject wordt vernietigd en het primaire besluit herroepen wegens procedurele onzorgvuldigheden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/693

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.A. Kootstra),
en

het college voor Promoties van de Technische Universiteit Delft, verweerder

(gemachtigden: mr. M.M. de Roon, prof. dr. [naam 2] , en prof. dr. ir. P. Breedveld).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen verweerders besluit om eisers promotietraject niet voort te zetten (No-Go-besluit).
1.1.
Met het bestreden besluit van 12 december 2024 is verweerder bij zijn beslissing gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigden van verweerder deelgenomen. Aan de zijde van verweerder verscheen ook dr. [naam 1] .

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is op 1 december 2022 een promotietraject gestart als PhD-kandidaat bij de faculteit Mechanical Engineering van de Technische Universiteit Delft, met prof. dr. [naam 2] als beoogd promotor en dr. [naam 3] en dr. [naam 4] als supervisors en beoogd copromotors.
2.1
In de loop van het promotraject is een langdurig conflict ontstaan tussen eiser en dr. [naam 3] .
2.2
Tijdens een “progress meeting” van 12 december 2023 zijn afspraken gemaakt over de voortgang van het promotietraject. Onder meer is afgesproken dat dr. [naam 4] de dagelijkse begeleiding van eiser zou overnemen van dr. [naam 3] .
3. Op 19 april 2024 heeft een zogenoemde Go/No-Go-meeting plaatsgevonden, waarbij eiser, de beoogd promotor en drie leden van een adviserende commissie aanwezig waren, waaronder dr. [naam 3] . Tijdens de bijeenkomst heeft eiser een presentatie gehouden en feedback van de overige aanwezigen ontvangen.
4. Overeenkomstig de adviezen van de commissieleden, die unaniem tot een ‘No Go’ hebben geadviseerd, heeft de beoogd promotor op 24 april 2024 geoordeeld dat er geen redelijke verwachting is dat het promotietraject succesvol en binnen redelijke termijn zal worden afgerond (“het No-Go-oordeel”).
4.1
Op grond van het No Go-oordeel heeft verweerder het promotietraject op 30 april 2024 tussentijds beëindigd (“het primaire No-Go-besluit”).
4.2
Conform het advies van de Commissie voor Geschillen en Promoties heeft verweerder eisers bezwaar op 12 december 2024 ongegrond verklaard en de beëindiging van het promotietraject gehandhaafd (“het No-Go-besluit”).
Wat voert eiser aan in beroep?
5. Eiser betoogt dat verweerder niet tot het No-Go-besluit heeft kunnen komen, omdat proceduregels zijn veronachtzaamd, de besluitvorming ook overigens onzorgvuldig is geweest en de motivering niet deugt. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
5.1
Verweerder heeft het belang van een goede begeleiding niet onderkend. Er is niet behoorlijk opgetreden tegen grensoverschrijdende bejegening in de begeleiding van eiser. Ook waren de supervisors niet volledig betrokken bij eisers wetenschappelijk werk.
Verweerder heeft daarnaast in strijd gehandeld met het promotiereglement van de universiteit. De Go/No-Go-meeting heeft namelijk niet binnen de voorschreven termijn plaatsgevonden en de adviserende commissie was niet correct samengesteld. Hierbij komt, dat dr. [naam 4] niet bij de Go/No-Go-meeting aanwezig was, terwijl hij ook niet als dagelijks supervisor in het besluit staat vermeld. Dr. [naam 3] was wel aanwezig en is in het besluit ten onrechte als dagelijks supervisor aangeduid. Bij de besluitvorming is verder niet met alle relevante documenten rekening gehouden.
6. Eiser vordert daarnaast een dwangsom omdat verweerder te laat op zijn bezwaar heeft beslist.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het juridisch kader
7. Op grond van artikel 7.18, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs (WHW) en wetenschappelijk onderzoek is het college voor promoties van een universiteit bevoegd de graad Doctor te verlenen bij een afgeronde promotie. Toegang tot promotie heeft een ieder aan wie de graad Master is verleend, een proefschrift heeft geschreven dan wel een proefontwerp heeft vervaardigd, en heeft voldaan aan de eisen, gesteld in het door de universiteit vastgestelde promotiereglement. [1] In het promotiereglement wordt onder meer de gang van zaken met betrekking tot de voorbereiding van de promotie en met betrekking tot de promotie zelf geregeld. [2]
7.1
Het Promotiereglement van TU Delft (“het Promotiereglement”) bepaalt dat uiterlijk een jaar na de geregistreerde startdatum van het promotietraject een Go/No-Go-meeting tussen de promovendus en de beoogd promotor plaatsvindt. [3] Na raadgeving door een adviserende commissie, vormt de beoogd promotor een oordeel over de verwachting van een al dan niet succesvolle afronding van het promotietraject binnen een redelijke termijn. [4] Op basis van dat oordeel volgt de beslissing of het promotietraject wordt voortgezet (Go) of wordt beëindigd (No Go). Bij een No Go eindigt het promotietraject voor de promovendus en vindt uitschrijving van de registratie als promovendus plaats. [5]
Ambtshalve beoordeling: bevoegdheid
8. Hoewel de verwoording van artikel 7 van Pro het Promotiereglement de indruk wekt dat de promotor beslissingsbevoegd is, ligt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit tot stopzetting van een promotietraject bij verweerder. Dat volgt uit de systematiek van het Promotiereglement en de toedeling in de WHW van deze bevoegdheid aan de colleges voor promoties van de universiteiten. [6] Het nemen van het No-Go-besluit valt dus binnen de bevoegdheden van verweerder (het college voor Promoties van de Technische Universiteit Delft).
Heeft verweerder het No-Go-besluit mogen nemen?
9. De rechtbank hanteert in deze zaak een terughoudende toets. [7] Het No-Go-besluit omvat namelijk een beoordeling van het kennen of kunnen van eiser en gelet op het beginsel van academische vrijheid [8] kan de rechtbank daar niet in treden. De beoordeling moet zich dus beperken tot de vraag of het besluit is genomen overeenkomstig het recht, waarbij alleen wordt getoetst aan regels van procedurele aard. [9] Binnen deze grenzen komt de rechtbank tot het oordeel, dat het No-Go-besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank legt daaraan het volgende ten grondslag.
10. De rechtbank stelt allereerst vast, dat de Go/No-Go-meeting ruim vier maanden later heeft plaatsgevonden dan is voorgeschreven door het Promotiereglement. Deels houdt de vertraging verband met verhinderingen, die tijdens het traject om uiteenlopende redenen zijn opgekomen. Een belangrijke medeoorzaak van de tijdsoverschrijding is het langlopende conflict tussen eiser en dr. [naam 3] , die aanvankelijk belast was met de dagelijkse begeleiding van het promotieproject. Nadat een eerdere, interne bemiddelingspoging van de beoogd promotor aan het begin van 2023 vergeefs was gebleken en de verhoudingen in de verdere loop van 2023 ernstig ontregeld waren geraakt, werd in november 2023 een externe mediator ingeschakeld. Op 29 november 2023 heeft de beoogd promotor aan eiser medegedeeld dat de Go/No-Go-meeting werd uitgesteld tot medio februari 2024. In plaats daarvan heeft op 12 december 2023 een ‘progress meeting’ plaatsgevonden. Zoals verweerder in zijn verweerschrift en ter zitting heeft toegelicht, is bij deze progress meeting afgesproken dat dr. [naam 3] voor het vervolg van het traject als dagelijks supervisor zou worden vervangen door de andere copromotor, dr. [naam 4] ; het was de bedoeling dat hij de dagelijkse begeleiding op zich zou nemen en het dagelijks contact met eiser zou onderhouden. Wel zou dr. [naam 3] als copromotor bij het promotietraject betrokken blijven, omdat zij op het betreffende onderzoeksgebied over onmisbare inhoudelijke deskundigheid beschikt. Op 15 februari 2024 is een actieplan vastgesteld, waarin is beschreven wat tijdens de progress meeting is besproken.
11. Omdat de Go/No-Go-meeting al niet meer binnen de voorgeschreven termijn kon plaatsvinden en het traject al was ontregeld, mocht eiser veronderstellen dat de vervanging was bedoeld als stap om het traject in goede banen te brengen. Daarbij mocht eiser verwachten, dat dr. [naam 4] de dagelijkse begeleiding actief ter hand zou nemen. Voor een zorgvuldige en transparante voortgang, was het eveneens van belang om rekening te houden met het stempel dat het conflict op het promotietraject drukte; zo vond de progress meeting plaats in de schaduw van het conflict, terwijl tijdens de Go/No-Go meeting de externe mediation nog liep. Omdat het traject zo werd overschaduwd door het conflict, was het dan ook essentieel dat inhoudelijke kritiekpunten op eisers vertoonde kennis en kunde, duidelijk en nadrukkelijk onder zijn aandacht zouden worden gebracht.
12. De rechtbank constateert dat de gang van zaken voor en tijdens de Go/No-Go- meeting niet in lijn is met de gewekte verwachting, dat eiser een redelijke kans zou krijgen om het promotietraject weer op de rails te krijgen. Bovendien zijn er verschillende procedurele onzorgvuldigheden, die maken dat de besluitvorming niet zorgvuldig en niet transparant tot stand is gekomen.
12.1
Uit het dossier blijkt niet, dat in de aanloop naar de Go/No-Go-meeting op duidelijke wijze zorgen zijn geuit over de vertoonde vaardigheden. Het actieplan heeft als ondertitel “Agreement on required improvements to be assessed in the Go/No-Go meeting on March 22th 2024”. Deze zinspeling op verbeteringen is het enige dat, zeer globaal, in de richting zou kunnen wijzen van een inhoudelijk academisch tekortkomen. Uitgebreidere notulen van de progress meeting zijn niet opgemaakt. Uit hetgeen is vastgelegd is dus slechts in algemene zin af te leiden, dat van eiser een aantal verbeteringen werd gevraagd. Een uiting van zorg of twijfel over de academische ontwikkeling van eiser of het niveau van zijn bekwaamheden, kan de rechtbank daar niet in herkennen.
12.2
Op het formulier van de uiteindelijk gehouden Go/No-Go-meeting, is dr. [naam 3] aangeduid als
daily supervisoren niet dr. [naam 4] . Dit strookt niet met de vervanging als dagelijks supervisor.
Ook was dr. [naam 3] tijdens de Go/No-Go meeting wel aanwezig en dr. [naam 4] niet. Verweerder heeft hierover verklaard dat dr. [naam 4] om zwaarwegende (privé) redenen niet aanwezig kon zijn en de meeting volgens verweerder niet (weer) kon worden uitgesteld vanwege de naderende einddatum van de arbeidsovereenkomst van eiser; dr. [naam 4] voorafgaand zijn input geleverd via de mail en zou dit tijdens de meeting zijn besproken. De rechtbank is echter van oordeel dat, gezien het lopende conflict met dr. [naam 3] , niet kon worden vastgehouden aan de Go/No-Go-meeting zonder aanwezigheid van dr. [naam 4] .
Bovendien wijst de input van dr. [naam 4] erop, dat hij feitelijk niet als dagelijks supervisor heeft opgetreden en nog geen helder beeld van eiser had, toen hij zich over de vooruitzichten van het promotietraject moest uitlaten. Zo heeft hij het volgende geschreven:

For me, this is a borderline case, and 1 have only a limited perspective as an external supervisor without expertise in the main domains of his PhD and limited contact”.
De gang van zaken wekt dan ook de indruk, dat de vervanging vooral voor de vorm is geweest.
12.3
Ook speelt mee dat eisers self-assessment, evenals zijn Data Management Plan, niet bij de totstandkoming van het No-Go-besluit zijn betrokken. Het is onduidelijk of deze stukken door eiser zijn ingediend, terwijl de adviserende commissie deze ook niet heeft opgevraagd. Die stukken hadden, zo blijkt uit het formulier van de Go/No-Go-meeting, in de beoordeling moeten worden meegenomen. Tijdens de Go/No-Go-meeting is geen aandacht besteed aan deze ontbrekende stukken. Zoals de Commissie voor Geschillen en Promoties heeft geoordeeld, is dit een onvolkomenheid, die in elk geval deels aan verweerder is te wijten. Welke invloed dit had op de stopzetting van het promotietraject kan de rechtbank niet vaststellen, omdat zij niet kan treden in de inhoudelijke toetsing van de kennis en kunde van eiser. Hier volstaat de constatering dat verweerder ook op dit punt niet zorgvuldig te werk is gegaan en geen sprake is geweest van heldere communicatie en begeleiding van eiser voorafgaand aan de Go/No-Go-meeting.
13. In het licht van het voorgaande kan niet worden gezegd, dat eiser is bejegend met de transparantie en consistentie die van een zorgvuldig handelend bestuursorgaan mag worden geëist. De rechtbank acht de besluitvorming in het geval van eiser, anders dan de Commissie voor Geschillen en Promoties, wel strijdig met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vanwege de vele onzorgvuldigheden. Dit betekent dat het No-Go-besluit niet in stand kan blijven. Verweerder heeft weliswaar een grote inhoudelijke beoordelingsvrijheid waar het een oordeel over de kennis en kunde van de beoogd promovendus aangaat, maar dat impliceert ook dat een hoge graad van zorgvuldigheid in het besluitvormingsproces mag worden geëist. De onzorgvuldigheden die zich hier hebben voorgedaan moeten dan ook een fataal gevolg hebben voor de besluitvorming. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd en het primaire besluit wordt herroepen.
14. De onbesproken beroepsgronden hoeven niet meer te worden belicht.
Is verweerder een dwangsom verschuldigd?
15. Verweerder is geen dwangsom verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Een dergelijke dwangsom is namelijk alleen verschuldigd vanaf de eerste dag waarop twee weken zijn verstreken, na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verlopen en het bestuursorgaan een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. [10] De beslistermijn op eisers bezwaar bedroeg 10 weken. [11] Eiser heeft eerst op 20 mei 2024 zijn bezwaargronden naar voren gebracht. De beslistermijn liep vanaf de eerste dag na die datum en verstreek dus pas op 30 juli 2024. Dit betekent dat de ingebrekestelling van 16 juli 2024 voorbarig was en dus zonder rechtsgevolg is gebleven.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Zij verklaart daarnaast het bezwaar gegrond. Ook herroept de rechtbank het primaire besluit. Voorts bepaalt zij dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit.
17. Daarnaast moet verweerder de proceskosten aan eiser vergoeden tot een bedrag van € 1.868,-. [12] Ook moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
(-) verklaart het beroep gegrond;
(-) vernietigt het bestreden besluit van 12 december 2024;
(-) verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit van 30 april 2024 gegrond en herroept dat besluit;
(-) bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
(-) bepaalt dat verweerder een proceskostenvergoeding aan eiser betaalt van € 1.868,-;
(-) bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 7.18, tweede lid van de WHW.
2.Artikel 7.19 van de WHW.
3.Artikel 7.1 van het Promotiereglement.
4.Artikel 7.3 van het Promotiereglement.
5.Artikel 7.6 van het Promotiereglement.
6.Vergelijk: Afdeling Bestuursrechtspraak, 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3173.
7.Afdeling Bestuursrechtspraak, 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1428, r.o. 9-10.
8.Zoals als gewaarborgd in artikel 1.6 van de WHW.
9.Afdeling Bestuursrechtspraak, 23 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8315, r.o. 2.1.1.
10.Artikel 4:17, derde lid van de Awb.
11.Artikel 7.63b van de WHW.
12.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, met toekenning van 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een gemiddelde wegingsfactor en € 934,- per punt.