ECLI:NL:RBDHA:2026:4529
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardig relaas over telefonische doodsbedreigingen
Eiser diende op 18 december 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister op 27 november 2025 werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 24 februari 2026 en oordeelde dat de afwijzing in stand kan blijven. Het centrale geschilpunt betrof de geloofwaardigheid van het asielrelaas, waarin eiser stelde dat hij en zijn gezin telefonische doodsbedreigingen van de Peruaanse regering ontvingen.
De rechtbank overwoog dat het relaas van eiser grotendeels steunt op het verhaal van zijn zoon, dat door de minister als ongeloofwaardig is beoordeeld. Ondanks eerdere uitspraken dat de werkinstructie WI 2024/6 in sommige gevallen strijdig kan zijn met het Unierecht, concludeerde de rechtbank dat in deze zaak de minister alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en voldoende gemotiveerd heeft waarom het relaas niet geloofwaardig is.
Daarnaast vond de rechtbank dat de minister terecht heeft meegewogen dat eiser geen problemen ondervond bij het verkrijgen van een paspoort en uitreis, hetgeen afdoet aan de aannemelijkheid van zijn verhaal. Ook de door eiser overgelegde documenten werden betrokken, maar deze onderbouwen het relaas niet volledig en kunnen niet als objectief bewijs worden beschouwd.
De rechtbank verwierp het verweer van eiser dat sprake is van bewijsnood en cirkelredenering. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege het ongeloofwaardige relaas over telefonische doodsbedreigingen.