ECLI:NL:RBDHA:2026:4512

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL25.56933
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 3.113 VbArt. 4 Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid asielrelaas ondanks referentiekader

Eiser, een Ethiopische Oromo, diende op 20 december 2024 een asielaanvraag in die op 14 november 2025 door de minister werd afgewezen wegens onvoldoende geloofwaardigheid van het asielrelaas. Eiser voerde aan dat de minister ten onrechte een checklist (WI 2024/6) toepaste zonder een integrale beoordeling en onvoldoende rekening hield met zijn leeftijd en referentiekader.

De rechtbank oordeelt dat de minister wel degelijk een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt, waarbij het referentiekader van eiser is betrokken. Hoewel eiser wisselende en ongerijmde verklaringen gaf over gebeurtenissen met Ethiopische soldaten en zijn onderduik, heeft de minister deze terecht als ongeloofwaardig beoordeeld. De rechtbank stelt dat de minister niet verplicht was om volgens artikel 3.113 Vb ongerijmdheden expliciet te confronteren.

De rechtbank volgt eerdere uitspraken dat de toepassing van WI 2024/6 niet per definitie strijdig is met het Unierecht. In deze zaak is de beoordeling zorgvuldig en voldoende gemotiveerd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56933

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het bestreden besluit blijft in stand. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 20 december 2024 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 november 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Ethiopische nationaliteit en behoort tot de Oromo bevolkingsgroep. Hij wordt ervan beschuldigd dat hij tot de Shane behoort, terwijl dit niet zo is. Om die reden wordt eiser gezocht door de Ethiopische autoriteiten. Eiser wil niet terug naar Ethiopië omdat hij dan vreest dat hij en zijn familie problemen krijgen, dat wil hij niet.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.
2. Problemen met de Ethiopische autoriteiten omdat zij eiser ervan beschuldigen tot de Shane te behoren.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste motief geloofwaardig is. Over het tweede asielmotief heeft eiser volgens de minister vaag en ongerijmd verklaard en vormen zijn verklaringen geen samenhangend geheel, om die reden is dat motief niet geloofwaardig geacht. De identiteit, nationaliteit en herkomst maken niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser stelt dat de minister, conform WI [1] 2024/6, artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), als checklist heeft toegepast en ten onrechte geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt. Eiser verwijst hiertoe naar verschillende uitspraken. Daarbij stelt eiser dat enkel artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw aan eiser is tegengeworpen. Dit houdt in dat eiser wel voldoet aan de voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, onder a, b, d en e van de Vw. Eiser heeft dus bijvoorbeeld ook aan sub e voldaan. Waarom de aanvraag is afgewezen terwijl eiser in grote lijnen als geloofwaardig moet worden beschouwd is in de beschikking onvoldoende gemotiveerd.
5.1.
Daarbij stelt eiser dat er rekening is gehouden met zijn referentiekader tijdens de gehoren, in die zin dat de vragen zijn aangepast en er bij onduidelijkheden is doorgevraagd, vragen zijn herhaald of verduidelijkt. De minister heeft echter niet kenbaar gemotiveerd hoe er vervolgens bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas rekening is gehouden met zijn referentiekader, in het bijzonder met zijn leeftijd. Door zijn jonge leeftijd kon hij van bepaalde zaken geen kennis hebben. Ook is onvoldoende rekening gehouden met het tijdsverloop tussen de gebeurtenissen en het gehoor.
5.2.
Rekening houdend met zijn referentiekader en het tijdsverloop heeft eiser niet vaag en ongerijmd verklaard over het incident met de Ethiopische soldaten. Ook over de bijeenkomst die is georganiseerd en over hoe de autoriteiten naar eiser op zoek zijn gegaan heeft eiser niet ongerijmd verklaard. Daarbij had de minister op grond van artikel 3.113 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), eiser moeten confronteren met eventuele gebreken in zijn verklaringen, dit heeft de minister niet gedaan. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit volgens eiser in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel genomen.

Beoordeling door de rechtbank

6. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 8 augustus 2025 twee uitspraken [2] gedaan over WI 2024/6, waarin is geoordeeld dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De rechtbank oordeelt echter dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De geloofwaardigheidsbeoordeling is gebaseerd op de voorwaarden vermeld in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, die zijn geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw, en bevat veel punten die ook al werden betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2014/10. Hoewel er situaties denkbaar zijn waarin de toepassing van de WI 2024/6 tot een beoordeling kan leiden die in strijd is met artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, zullen dergelijke situaties zich om uiteenlopende redenen niet in iedere zaak voordoen. De rechtbank zal dus in iedere afzonderlijke asielzaak, aan de hand van de beroepsgronden, moeten toetsen of de minister alle relevante aspecten heeft betrokken en voldoende heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas niet geloofwaardig is. Dat doet de rechtbank hieronder.
7. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat er tijdens het nader gehoor rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd op welke wijze het referentiekader is betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Uit rechtspraak van de Afdeling [3] volgt dat de minister in alle individuele asielzaken een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verricht, waarbij hij rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van de vreemdeling. Hetgeen aan eiser is tegengeworpen betreft gebeurtenissen die volgens eiser hebben plaatsgevonden en waar eiser zelf bij betrokken was. Hierover zou eiser, ook gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, moeten kunnen verklaren. De minister heeft niet van eiser verlangd dat hij kon verklaren op onderdelen waar hij, gelet op zijn leeftijd of culturele achtergrond, geen weet van kon hebben. De minister heeft afdoende toegelicht dat bij de geloofwaardigheidsbeoordeling het referentiekader van eiser is betrokken en dat van eiser ondanks het feit dat hij tijdens de gebeurtenissen slechts veertien jaar oud was en slechts in beperkte mate onderwijs heeft genoten, zou moeten kunnen verklaren over hetgeen hij heeft meegemaakt en waarom hij bepaalde dingen heeft gedaan. Dat eiser geen specifieke data kan noemen wordt eiser niet tegengeworpen. Wel kan van eiser worden verwacht dat hij weet in welke volgorde gebeurtenissen zich hebben afgespeeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister het referentiekader van eiser voldoende kenbaar heeft betrokken bij de besluitvorming.
7.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister heeft kunnen tegenwerpen dat eiser ongerijmde verklaringen heeft afgelegd. Zo stelt eiser dat soldaten hem en zijn vrienden aanvielen en schreeuwden dat zij hun Shane vrienden moesten bellen. De soldaten wachtten niet eens op antwoord en sloegen door. [4] Eiser en zijn vrienden zijn bewusteloos geslagen. [5] Daarnaast stelt eiser echter, dat de soldaten om hun namen en woonplaats hebben gevraagd en dat hij die gegevens heeft verstrekt, zodat hij vindbaar was voor de soldaten. [6] Verder verklaart eiser dat er een bijeenkomst is georganiseerd waarbij een oproep is gedaan om (onder andere) eiser naar voren te brengen. [7] Ook over wanneer en op welke plek eiser ondergedoken is geweest heeft hij wisselend verklaard. De volgorde van gebeurtenissen, of hij voorafgaand aan of na afloop van de bijeenkomst is ondergedoken, verschilt en ook de plek waar eiser op welk moment was ondergedoken wisselt. De minister heeft deze verklaringen dan ook ongerijmd kunnen vinden. Dat eiser op grond van artikel 3.113 van het Vb nader gehoord had moeten worden over deze onderwerpen volgt de rechtbank niet. Uit genoemd artikel volgt niet dat de minister ongerijmdheden concreet moet voorleggen. Tijdens het nader gehoor is doorgevraagd over de betreffende onderwerpen zodat eiser in de gelegenheid is gesteld om zo volledig mogelijk te verklaren.
7.2.
De enkele stelling dat alleen artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw is tegengeworpen maakt niet dat er geen algehele beoordeling is gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de bestreden beschikking eisers verklaringen kenbaar in onderlinge samenhang heeft beoordeeld en gewogen. De minister heeft daarbij alle relevante aspecten betrokken en voldoende gemotiveerd waarom het asielrelaas niet geloofwaardig is.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister in dit geval niet een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt, zodat het beroep ongegrond is.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister geen verblijfsvergunning hoefde te verstrekken aan eiser. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Werkinstructie.
2.Uitspraken van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14846 en ECLI:NL:RBDHA:2025:14853.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2459.
4.Pagina 15 nader gehoor.
5.Pagina 9 nader gehoor.
6.Pagina 17 nader gehoor.
7.Pagina 10 nader gehoor.