Eiser, een Ethiopische Oromo, diende op 20 december 2024 een asielaanvraag in die op 14 november 2025 door de minister werd afgewezen wegens onvoldoende geloofwaardigheid van het asielrelaas. Eiser voerde aan dat de minister ten onrechte een checklist (WI 2024/6) toepaste zonder een integrale beoordeling en onvoldoende rekening hield met zijn leeftijd en referentiekader.
De rechtbank oordeelt dat de minister wel degelijk een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt, waarbij het referentiekader van eiser is betrokken. Hoewel eiser wisselende en ongerijmde verklaringen gaf over gebeurtenissen met Ethiopische soldaten en zijn onderduik, heeft de minister deze terecht als ongeloofwaardig beoordeeld. De rechtbank stelt dat de minister niet verplicht was om volgens artikel 3.113 Vb ongerijmdheden expliciet te confronteren.
De rechtbank volgt eerdere uitspraken dat de toepassing van WI 2024/6 niet per definitie strijdig is met het Unierecht. In deze zaak is de beoordeling zorgvuldig en voldoende gemotiveerd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.