De rechtbank Den Haag heeft op 19 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de eigenaar van een coffeeshop die werd verdacht van het aanwezig hebben van meer dan 30 gram hennep en hasjiesj in zijn woning, bestemd als handelsvoorraad voor zijn coffeeshop. De verdachte heeft dit feit bekend.
De verdediging stelde primair dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat vervolging geen redelijk doel diende. De rechtbank verwierp dit verweer en oordeelde dat het OM ontvankelijk was, gelet op de beleidsvrijheid en de ernst van het feit.
De rechtbank verklaarde het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen en stelde vast dat de verdachte strafbaar is. Gezien de achterdeurproblematiek, waarbij de handelsvoorraad van een coffeeshop vaak groter is dan het gedoogde maximum van 500 gram, en het feit dat de verdachte een bonafide exploitant is die het AHOJ-G-beleid naleeft, werd besloten geen straf of maatregel op te leggen. De handelsvoorraad was inmiddels vernietigd, waardoor de verdachte economisch was getroffen.