ECLI:NL:RBDHA:2026:4399

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
NL25.11547
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 28 VwArt. 31 lid 6 VwArt. 15 Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Somalië wegens onvoldoende aannemelijk risico op ernstige schade

Eiser, van Somalische nationaliteit, diende op 7 maart 2023 een asielaanvraag in die door de minister op 12 februari 2025 werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep en concludeerde dat de minister een adequate geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verricht, waarbij rekening is gehouden met het referentiekader van eiser, waaronder zijn minderjarigheid en medische situatie.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de verklaringen van eiser over het asielmotief met betrekking tot zijn zwager niet geloofwaardig achtte, vanwege tegenstrijdigheden en summiere toelichting. Hoewel het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was over de veiligheidssituatie in Marka, werd dit gebrek gepasseerd omdat de minister in het verweerschrift voldoende heeft toegelicht dat er geen reëel risico op ernstige schade bestaat.

De rechtbank stelde vast dat uit rapporten en ambtsberichten blijkt dat Marka onder controle staat van de federale regering en dat het niveau van willekeurig geweld laag is. Ook individuele factoren zoals PTSS en stamproblemen maken het risico niet aannemelijk. Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11547

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Somalische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. I.M. Hidding),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb [2] in stand kan blijven
.De minister is in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de veiligheidssituatie in Marka. Dit gebrek leidt echter niet tot een vernietiging van het besluit omdat de minister in het verweerschrift gemotiveerd is ingegaan op de veiligheidssituatie in Marka en zich verder op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 7 maart 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 februari 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor behandeling van de zaak op de zitting van 8 mei 2025. De rechtbank heeft vervolgens het beroep op 29 april 2025 aangehouden in afwachting van de uitspraak op de zitting van de meervoudige kamer van 23 april 2025 over de geloofwaardigheidsbeoordeling.
2.3.
De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor behandeling van het beroep op 6 november 2025. Op de zitting bleek dat de minister in de ochtend van 6 november 2025 vertrekgesprekken in het digitale dossier heeft geüpload. Eiser en zijn gemachtigde hebben hier niet tijdig kennis van kunnen nemen en hebben verzocht om aanhouding. De rechtbank heeft daarop besloten de behandeling van het beroep aan te houden om partijen in de gelegenheid te stellen de stukken te bestuderen. Ook heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk standpunten naar voren te brengen. De minister heeft op 1 december 2025 schriftelijk gereageerd. Eiser heeft op 3 januari 2026 schriftelijk gereageerd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk, een voogd van Nidos en de gemachtigde van de minister
.De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. De zus van eiser werd mishandeld door haar man (eisers zwager). Eisers vader heeft gezegd dat hij daarmee moest stoppen en heeft eisers zus proberen weg te houden bij haar man. Toen eiser en zijn vader uit de moskee kwamen, kwamen zij eisers zwager tegen en ontstond er ruzie. Eisers zwager heeft toen eisers vader doodgeschoten. Eiser is vervolgens naar huis gevlucht. De zwager van eiser is naar het huis van eisers ouders in Marka gekomen en heeft het gezin bedreigd. Daarna is eiser met het gezin naar Mogadishu gevlucht, waar zijn moeder wederom telefonisch werd bedreigd door eisers zwager. Eisers zwager is in Mogadishu met medestanders langs gekomen en heeft naar eiser gevraagd en eisers moeder mishandeld. Nadat de mannen vertrokken, heeft eisers moeder geregeld dat eiser met behulp van zijn tante Somalië heeft verlaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met de echtgenoot van eisers zus.
4.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste asielmotief geloofwaardig is, maar het tweede niet. De minister concludeert daarom dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De minister concludeert dat eiser bij terugkeer naar Somalië ook geen reëel risico op ernstige schade loopt. Eisers asielaanvraag wordt daarom afgewezen. De minister heeft verder gemotiveerd dat eiser op dit moment niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuld beleid voor een alleenstaande meerderjarige vreemdeling, omdat het onderzoek naar adequate opvang nog niet is afgerond.
Heeft de minister een goede geloofwaardigheidsbeoordeling verricht?
5. Met de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats [3] heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat de minister in strijd handelt met het Unierecht wanneer er bij de toets in het kader van WI 2024/6 geen integrale beoordeling plaatsvindt. Wanneer na afloop van de beoordeling van de vijf cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw ‘onder de streep’ nog eens naar het geheel wordt gekeken en wordt beoordeeld of alle feiten en omstandigheden bij elkaar genomen toch niet maken dat het voordeel van de twijfel moet worden gegund en het asielrelaas geloofwaardig zou moeten worden geacht, dan wordt aangesloten bij het Unierecht.
5.1.
In WI 2024/6 is toegelicht dat als aan één of meer van de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw niet wordt voldaan de minister dit tegenwerpt en motiveert waarom hier niet aan wordt voldaan. [4] In dit geval is aan eiser voorwaarde c van artikel 31, zesde lid, van de Vw tegengeworpen. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de minister zich op het standpunt stelt dat voorwaarden die niet zijn genoemd ook niet zijn tegengeworpen. [5] Volgens de minister is een adequate geloofwaardigheidsbeoordeling verricht.
5.2.
Ondanks dat de minister geen afzonderlijke overweging heeft opgenomen over de ‘integrale beoordeling’ is de rechtbank van oordeel, dat niet is gebleken dat de minister niet aan alle, cumulatieve voorwaarden heeft getoetst. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken. Net als bij de beoordeling van de geloofwaardigheid onder WI 2014/10 is de minister uitgebreid ingegaan op de verklaringen van eiser, waarbij is uitgelegd waarom de minister het asielmotief van eiser over de problemen met zijn zwager niet geloofwaardig acht. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. De rechtbank legt dit hierna uit.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader?
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat eisers minderjarigheid afdoende is betrokken in de procedure. Zo was de voogd van Nidos aanwezig en is de vraagstelling aangepast voor een alleenstaande minderjarige vreemdeling. De rechtbank overweegt dat uit het voornemen voldoende duidelijk blijkt dat rekening is gehouden met het feit dat eiser [leeftijd 1] jaar was. De minister heeft daarnaast aangegeven dat van eiser niet wordt verwacht dat hij even gedetailleerd en uitgebreid verklaart als een volwassene. De minister heeft zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat van eiser mag worden verwacht dat hij duidelijk verklaart over de kern van zijn asielmotief. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat dit van eiser mag worden verwacht omdat zijn zwager hem heeft bedreigd met de dood en hij eiser is achtervolgd. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat uit de gehoren blijkt dat eiser zijn zwager meermaals heeft gezien. [6]
6.1.
De rechtbank volgt de minister ook in het standpunt dat eiser erop is gewezen voorafgaand aan het gehoor dat hij de waarheid dient te vertellen en geen dingen erbij moet verzinnen. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het Medifirst rapport niet blijkt dat eiser moeite heeft met jaartallen. In het advies van 12 april 2024 is toegelicht dat eiser bekend is met een interne aandoening waardoor hij sneller vermoeid raakt dan gemiddeld en dat om die reden op verzoek of actief pauzes moeten worden ingelast. Betrokkene heeft aan Medifirst gezegd dat hij de exacte reisroute niet kan vertellen. Los van het voorgaande blijkt uit het advies niet van beperkingen ten aanzien van het vermogen van eiser om te kunnen verklaren. De rechtbank volgt de minister ook in de stelling dat van eiser mag worden verwacht dat hij duidelijk verklaart over de kern van zijn asielmotief. De rechtbank overweegt verder dat uit het door eiser overgelegde Re-care rapport van de orthopedagogen onvoldoende duidelijk blijkt dat eiser leidt aan PTSS en dat de aan PTSS-gerelateerde klachten invloed hebben gehad op zijn vermogen om te verklaren. De stelling van eiser dat zijn PTSS-klachten mogelijk hebben geïnterfereerd met dit vermogen volgt de rechtbank dan ook niet.
6.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister in het rapport van Re-care niet ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om een nieuw medisch advies te vragen of om de conclusies uit het rapport van Re-care te betrekken bij het referentiekader. Daarbij overweegt de rechtbank dat het rapport onvoldoende inzichtelijk maakt hoe de beantwoording van de vragen tot stand is gekomen en of/hoe de PTSS-klachten invloed hebben gehad op het vermogen om te verklaren. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de inhoud van het Re-care rapport niet overeenkomt met de informatie uit de vertrekgesprekken. In wat eiser naar voren brengt ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om niet uit te gaan van de verslaglegging van de vertrekgesprekken. Ook de door eiser overgelegde brief van de voogd van Nidos maakt het oordeel niet anders, de rechtbank ziet daarin namelijk onvoldoende aanleiding om niet uit te kunnen gaan van de verslagen van de vertrekgesprekken. De overige stellingen van eiser dat hij pas in april 2025 aan de beurt was voor het onderzoek, dat het rapport daardoor niet eerder kon worden overgelegd en dat Re-care niet afgaat op waarheidsvinding, maar dat ze afgaan op door eiser verstrekte informatie maken het oordeel van de rechtbank niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister ten onrechte geconcludeerd dat element 2 ongeloofwaardig is?
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister de verklaringen van eiser over het tweede asielmotief niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de minister eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij summier heeft verklaard over de echtgenoot van zijn zus. Zo wijst de minister erop dat eiser niet kan verklaren in welk jaar zijn zus en zwager zijn getrouwd [7] , hoe oud zijn zwager was of wat de naam van zijn zwager is. [8]
7.1.
De rechtbank overweegt verder dat de minister niet ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiser vaag en tegenstrijdig heeft verklaard over het lidmaatschap bij Al-Shabaab van zijn zwager. Zo wijst de minister erop dat eiser heeft verklaard dat hij dacht dat zijn zwager bij Al-Shabaab hoorde, maar ook dat hij het niet zeker weet. Eiser heeft daarnaast verklaard dat zijn zwager een baard had en een uniform droeg met een korte broek [9] , maar dat leden van Al-Shabaab zijn te herkennen aan hun kleding, waarbij zij sjaals, lange overhemden, broeken tot boven de enkels en een baard dragen. [10]
7.2.
De rechtbank overweegt verder dat de minister niet ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiser vaag heeft verklaard over de dood van zijn vader. Zo wijst de minister erop dat eiser heeft verklaard dat hij zich van de dag dat zijn vader overleed, weinig meer kan herinneren, maar dat hij alleen met zijn vader was. [11] Vervolgens heeft eiser verklaard dat niemand van zijn gezin terug is gegaan naar de plek waar zijn vader is gedood en dat omstanders het lichaam van zijn vader thuis hebben gebracht. [12] De minister heeft eiser ook kunnen tegenwerpen dat hij vaag heeft verklaard over het tijdspad dat aanleiding heeft gegeven voor zijn vlucht. De minister wijst er namelijk terecht op dat eiser heeft verklaard dat zijn vader in 2017 vermoord is [13] , dat hij in 2020 naar Mogadishu is gegaan en Somalië in 2022 heeft verlaten. [14]
7.3.
De rechtbank overweegt verder dat de minister niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij summier heeft verklaard over de problemen met zijn stam. Zo heeft eiser verklaard dat hij tot een minderheidsstam behoort en daardoor problemen heeft gehad [15] , toen werd doorgevraagd bleek dat het alleen ging om de problemen met de zwager van eiser en dat hij verder geen problemen heeft ondervonden. [16] Ook heeft de minister eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet inzichtelijk maakt waarom zijn zwager alleen naar hem op zoek zou zijn, gelet op de verklaring van eiser dat zijn moeder ook door de zwager werd bedreigd. [17] De minister heeft de verklaringen van eiser – dat hij zijn zwager niet vaak heeft gezien en dat hij nog maar [leeftijd 2] jaar was – onvoldoende mogen vinden om het gebrek aan details te verklaren.
Heeft de minister terecht geconcludeerd dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade?
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op de veiligheidssituatie in Marka. De minister is echter in het verweerschrift wel gemotiveerd ingegaan op de veiligheidssituatie in Marka, waarbij zij heeft gesteld dat sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft ten aanzien van dit gebrek niet gesteld in welke belangen hij is geschaad. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat eiser door het gebrek in zijn belangen is geschaad en passeert het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. De minister zal worden veroordeeld in de proceskosten van eiser.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Marka een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn. In hetgeen eiser naar voren heeft gebracht – te weten het EUAA-rapport [18] van oktober 2025 – ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de algemene veiligheidssituatie in Marka of Mogadishu wezenlijk anders is dan in het landgebonden beleid van de minister is vastgelegd. [19] Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het Ambtsbericht en EUAA-rapport niet blijkt dat Mogadishu of Marka onder controle van Al-Shabaab staan. De minister heeft er terecht op gewezen dat Marka een zwarte stip is op het kaartje [20] en dat dit betekent dat het niet onder controle van Al-Shabaab staat. Dat er nog steeds aanslagen door Al-Shabaab worden gepleegd in gebieden waar zij geen controle over heeft, is geen omstandigheid die noopt tot een andere conclusie omtrent het niveau van geweld. De door eiser overgelegde krantenartikelen van de Somali Guardian en Somali News maken het oordeel niet anders. Uit de krantenartikelen volgt namelijk dat Marka onder controle van de federale regering staat. Uit het feit dat Al-Shabaab zoals eiser stelt in 2025 - dus na de verslagperiode die in het Algemeen Ambtsbericht is beoordeeld - aan terrein wint, volgt ook niet de conclusie dat de situatie in Marka aanzienlijk is verslechterd en een ander niveau van willekeurig geweld op zijn plaats is.
8.2.
De rechtbank overweegt verder dat de minister ook aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij per boot van Marka naar Mogadishu is gevlucht. In wat eiser naar voren heeft gebracht – namelijk dat alleen particuliere vissersbootjes varen tussen Marka en Mogadishu – ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat eiser niet per boot terug kan reizen naar Marka. De rechtbank is dan ook niet gebleken dat eiser niet per boot naar Marka zou kunnen reizen.
8.3.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege individuele factoren een verhoogd risico loopt op ernstige schade en daardoor niet kan terugkeren. De rechtbank volstaat ten aanzien van het standpunt van eiser dat hij leidt aan PTSS en behoort tot een minderheidsstam met hetgeen zij onder het referentiekader en de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft besproken. De stelling van eiser dat de situatie in Somalië verslechtert maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat hij daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van individuele omstandigheden bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is daarom ongegrond en het bestreden besluit blijft met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb in stand.
9.1.
Gelet op het onder 8 geconstateerde gebrek ziet de rechtbank aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Zie de uitspraken van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14846 en ECLI:NL:RBDHA:2025:14853.
4.WI 2024/6, p. 7.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21931.
6.Zoals volgt uit p. 2 van het gehoor en p. 10 van het nader gehoor.
7.P. 11 van het nader gehoor.
8.P. 10 van het nader gehoor.
9.P. 10 van het nader gehoor.
10.P. 15 van het nader gehoor.
11.P. 13 van het nader gehoor.
12.P. 13 van het nader gehoor.
13.P. 5 van het aanmeldgehoor zonder schouw.
14.P. 4 van het aanmeldgehoor met schouw.
15.P. 9 van het nader gehoor.
16.P. 19 van het nader gehoor.
17.P. 14 van het nader gehoor.
18.European Union Agency for Asylum, Country Guidance: Somalia, 2 oktober 2025.
19.Algemeen Ambtsbericht van maart 2025.
20.Zie p. 24 van het EUAA-rapport van 2 oktober 2025.