ECLI:NL:RBDHA:2026:4289

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
c/09/693135 en c/09/683830
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:12 BWArt. 1:247 BWArt. 1:266 BWArt. 1:275 BWArt. 265 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd over minderjarige met gedragsproblemen

De rechtbank Den Haag behandelde twee samenhangende zaken betreffende de minderjarige, geboren in 2008, waarbij het ouderlijk gezag van de vader werd beëindigd en een voogd werd benoemd. De vader had zich teruggetrokken uit het leven van de minderjarige en nam geen gezagsbeslissingen, wat de ontwikkeling van het kind ernstig bedreigde. De minderjarige verbleef in een gezinshuis en had behoefte aan rust en duidelijkheid over zijn toekomst.

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de beëindiging van het gezag van de vader en benoeming van de gecertificeerde instelling als voogd. De gecertificeerde instelling onderschreef dit verzoek en wilde de noodzakelijke hulpverlening en administratieve zaken, zoals het openen van een bankrekening, regelen. De bijzondere curator kon deze taken niet vervullen vanwege het gezag van de vader.

De rechtbank oordeelde dat het gezag van de vader beëindigd moest worden omdat hij niet in staat was zijn verantwoordelijkheden binnen een aanvaardbare termijn te dragen en dat dit een proportionele inmenging in het gezinsleven vormde. De gecertificeerde instelling werd benoemd tot voogd en de werkzaamheden van de bijzondere curator werden beëindigd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de belangen van de minderjarige te waarborgen.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de vader wordt beëindigd en de gecertificeerde instelling wordt benoemd tot voogd over de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummers:
I. C/09/693135 / FA RK 25-7831 (zaak I)
II. C/09/683830 / JE RK 25-711 (zaak II)
Datum uitspraak: 2 februari 2026
Beschikking van de meervoudige kamer
Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd (zaak I)
Beëindiging werkzaamheden bijzondere curator (zaak II)
in zaak I van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
en
in zaak II van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] , [geboorteland 1] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt in zaak I als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. Nentjes uit Rotterdam,
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
[de gezinshuismoeder],
hierna te noemen: de gezinshuismoeder,
en
[de gezinshuisvader],
hierna te noemen: de gezinshuisvader,
hierna gezamenlijk te noemen: de gezinshuisouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De rechtbank merkt in zaak I als informant aan:
mr. D.G.M. van den Hoogen,
de bijzondere curator.
De rechtbank merkt in zaak II als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. Nentjes uit Rotterdam,
mr. D.G.M. van den Hoogen,
de bijzondere curator.

1.Het (verdere) verloop van de procedures

1.1.
De rechtbank neemt in beide zaken de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 8 mei 2025 en de daarin genoemde stukken;
  • het bericht van de bijzondere curator, ontvangen op 11 juli 2025;
  • het bericht van de bijzondere curator, ontvangen op 20 augustus 2025;
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 28 augustus 2025 waarbij het verzoek van de bijzondere curator om de beschikking van 8 mei 2025 te verbeteren in de vorm van het afgeven van een herstelbeschikking, is afgewezen;
  • het bericht van de bijzondere curator van 8 oktober 2025;
  • het verzoekschrift van de Raad met bijlagen (waaronder de bereidverklaring van de gecertificeerde instelling om de voogdij over [de minderjarige] te aanvaarden), ontvangen op 14 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] , namens de Raad;
  • de advocaat van de vader;
  • [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling (als waarnemer van de vaste jeugdbeschermer);
  • de gezinshuisouders;
  • de bijzondere curator, via een videoverbinding.
De vader is niet verschenen.
1.3.
De rechtbank heeft [de minderjarige] naar zijn mening over het verzoek in zaak I gevraagd. [de minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om met de voorzitter van de meervoudige kamer in gesprek te gaan.
1.4.
De rechtbank stelt vast dat vader in zaak I juist is opgeroepen. In zaak II is hij niet opgeroepen. De advocaat van de vader heeft er ter zitting, net als alle andere betrokkenen, mee ingestemd dat, gezien de nauwe samenhang tussen beide zaken, zaak I en zaak II gezamenlijk worden behandeld.
2.
De feiten in beide zaken
2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 14 maart 2024 is het gezag van de moeder beëindigd.
2.3.
[de minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 mei 2025 de ondertoezichtstelling en de machtiging om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening verlengd tot 12 mei 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij diezelfde beschikking mr. D.G.M. van den Hoogen benoemd tot bijzondere curator over [de minderjarige] om hem in en buiten rechte te vertegenwoordigen ter zake van het op naam van [de minderjarige] openen van een bankrekening en het installeren van internetbankieren. De behandeling van deze zaak is aanvankelijk pro forma aangehouden tot 7 juli 2025 en vervolgens tot 15 augustus 2025, in afwachting van het schriftelijk verslag van de bijzondere curator en eventuele reacties van de gecertificeerde instelling en de vader op dat verslag.

3.De verzoeken

Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd (zaak I)
3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de vader te beëindigen en de gecertificeerde instelling tot voogd over [de minderjarige] te benoemen.
3.2.
De Raad heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd. De vader van [de minderjarige] is onvoorspelbaar in zijn gedrag en heeft zich teruggetrokken uit het leven van [de minderjarige] . De vader pakt zijn verantwoordelijkheden als gezaghebbende ouder niet op. Er is al zeer geruime tijd geen contact met hem te krijgen. De Raad vermoedt dat [de minderjarige] zich door de vader - en eerder ook al door de moeder - in de steek gelaten voelt. [de minderjarige] heeft een belast verleden en hij heeft verschillende opvoeders gehad en op verschillende plaatsen verbleven. Hierdoor heeft hij overlevingsstrategieën en daaruit voortkomende gedragsproblematiek ontwikkeld. Doordat de vader uit contact is, blijven gezagsbeslissingen uit. Dit belemmert de ontwikkeling van [de minderjarige] . Zo kan [de minderjarige] niet starten met de benodigde hulpverlening terwijl zowel de gezinshuisouders als de gecertificeerde instelling het van groot belang vinden dat daarmee zo snel mogelijk een begin kan worden gemaakt. Verder kan voor [de minderjarige] op dit moment geen bankrekening worden geopend en kan de Nederlandse nationaliteit niet worden aangevraagd. Voor dit alles is immers toestemming van de vader nodig. [de minderjarige] ervaart daarnaast, als gevolg van het feit dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing jaarlijks moeten worden verlengd, onduidelijkheid over zijn perspectief en het is van belang daar snel duidelijkheid over komt.
3.3.
In het belang van [de minderjarige] moet de gecertificeerde instelling de voogdij over [de minderjarige] krijgen. De gecertificeerde instelling is een neutrale partij die reeds betrokken is vanuit de ondertoezichtstelling. Het belasten van de gezinshuisouders met de voogdij vindt de Raad niet wenselijk omdat de vader niet achter de plaatsing van [de minderjarige] in het gezinshuis staat. De Raad vindt het van belang dat de gecertificeerde instelling gaat bekijken wat in de toekomst mogelijk is in het contact tussen [de minderjarige] , zijn ouders en andere familieleden.
Bijzondere curator (zaak II)
3.4.
De gecertificeerde instelling heeft de rechtbank verzocht om, als het verzoek in zaak I wordt toegewezen en zij wordt belast met de voogdij over [de minderjarige] , de werkzaamheden van de bijzondere curator te beëindigen omdat de gecertificeerde instelling dan een bankrekening voor [de minderjarige] kan openen.

4.De standpunten in beide zaken

4.1.
Namens de vader is geen uitdrukkelijk standpunt ingenomen over het verzoek van de Raad. De advocaat van de vader heeft te kennen gegeven (kort en enkel via e-mail) gesproken te hebben met de vader. De vader heeft laten weten zich bij de beslissing van de rechtbank te zullen neerleggen. De advocaat van de vader heeft ten aanzien van het verzoek van de gecertificeerde instelling naar voren gebracht dit verzoek te begrijpen.
4.2.
De gecertificeerde instelling heeft ter zitting naar voren gebracht de zorgen en het verzoek van de Raad te onderschrijven. Momenteel wordt onderzocht welke hulpverlening er moet worden ingezet voor [de minderjarige] . Gezagsbeslissingen over het mogelijk maken van hulpverlening voor [de minderjarige] , het aanvragen van een paspoort en de Nederlandse nationaliteit, het regelen van een zorgverzekering en het openen van een bankrekening worden niet genomen door de vader. De gecertificeerde instelling wil deze zaken voor [de minderjarige] gaan regelen. Ook zal er worden gekeken of er verlengde jeugdhulp voor hem kan worden aangevraagd; als dit lukt, kan [de minderjarige] ook na zijn 18e verjaardag in het gezinshuis blijven wonen. Daarnaast vindt de gecertificeerde instelling het van belang dat [de minderjarige] contact kan (blijven) hebben met zijn familie. Dit contact komt momenteel echter nauwelijks van de grond.
4.3.
De gezinshuisouders hebben ter zitting te kennen gegeven het van belang te vinden dat de gecertificeerde instelling wordt belast met de voogdij. Het gaat wisselend met [de minderjarige] . [de minderjarige] gaat slechts twee uur per week naar school, ligt veel op bed, maakt niet altijd de beste keuzes, is gevoelig voor sociale druk en vindt het moeilijk om sociale situaties in te schatten. [de minderjarige] heeft veel last van de huidige situatie. Hij voelt zich afgewezen door zijn vader en moeder en wordt in dat gevoel steeds maar weer bevestigd. [de minderjarige] heeft behoefte aan contact met zijn familie. Hij heeft af en toe contact met een neef en recent heeft hij gesproken met de oma van moederszijde. Dat contact was echter lastig vanwege de taalbarrière. [de minderjarige] staat momenteel niet open voor contact met de vader vanwege de boosheid die hij ervaart. Ook voor contact met de moeder is op dit moment weinig ruimte. [de minderjarige] loopt tegen veel praktische problemen aan als gevolg van het feit dat de vader geen gezagsbeslissingen neemt. Zo kan [de minderjarige] niet zelf een bankrekening openen, waardoor hij bijvoorbeeld geen betaalverzoeken naar anderen kan sturen en geen financiële zelfstandigheid kan ontwikkelen. De gezinshuisouders hopen dat het beëindigen van het gezag van de vader [de minderjarige] meer rust zal geven. [de minderjarige] staat nu stil en dat betekent achteruitgang.
4.4.
De bijzondere curator heeft naar voren gebracht dat het haar niet is gelukt om een bankrekening voor [de minderjarige] te openen. De banken willen hieraan niet meewerken omdat de vader nog gezag heeft over [de minderjarige] , aldus de bijzondere curator.

5.De beoordeling in beide zaken

Relatieve bevoegdheid van de rechtbank
5.1.
Op grond van artikel 265 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd van de woonplaats van de minderjarige. Volgens artikel 1:12 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt de minderjarige de woonplaats van degene die het gezag over hem uitoefent. De vader belast is met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . De vader woont in het arrondissement van de rechtbank Rotterdam. Dit betekent dat de kinderrechter van de rechtbank Rotterdam in beginsel relatief bevoegd is om over de verzoeken te oordelen. Partijen hebben echter te kennen gegeven akkoord te gaan met behandeling van de verzoeken door deze rechtbank. Op grond van artikel 270, eerste lid, Rv is deze rechtbank daarom relatief bevoegd inhoudelijk op de verzoeken te beslissen.
Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd
5.2.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, BW kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.3.
Het beëindigen van het ouderlijk gezag is een maatregel die ingrijpt in het gezinsleven van zowel de ouder van wie het gezag wordt beëindigd als de minderjarige waarover het gezag wordt uitgeoefend. Daarbij is van belang dat artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) onder meer eist dat de belangen van het kind en die van de ouder tegen elkaar worden afgewogen. Uit het bepaalde in de artikelen
3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) volgt dat de belangen van het kind voorop staan bij het nemen van een beslissing tot het beëindigen van ouderlijk gezag. Op grond van artikel 8 EVRM Pro geldt ten slotte dat, indien het doel van een gezagsbeëindiging met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel. Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van deze maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd (subsidiariteit en proportionaliteit).
5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [de minderjarige] ernstig bedreigd en kan de vader de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] niet binnen een voor hem aanvaardbare termijn dragen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat de vader - na het beëindigen van het gezag van de moeder in maart 2024 - de kans heeft gekregen de opvoedrol op te zich te nemen. De vader heeft zich hiervoor echter niet actief ingezet, terwijl hij meermalen op zijn verantwoordelijkheid is aangesproken. Hij vervult niet langer een rol in het leven van [de minderjarige] en lijkt zich volledig te hebben teruggetrokken. Voor [de minderjarige] belangrijke gezagsbeslissingen blijven als gevolg hiervan uit. Het wordt [de minderjarige] aldus onmogelijk gemaakt om stappen te zetten in zijn ontwikkeling.
5.5.
[de minderjarige] verblijft in een gezinshuis waar wordt aangesloten bij zijn ontwikkelbehoeften. [de minderjarige] heeft een belast verleden en hij heeft last van de huidige (op punten onduidelijke) situatie. Hij komt daardoor nog niet (volledig) toe aan zijn ontwikkeling. [de minderjarige] ervaart veel onzekerheid over waar zijn perspectief ligt en het is van belang dat hij hier spoedig duidelijkheid over krijgt. [de minderjarige] heeft het naar zijn zin in het gezinshuis en sinds zijn plaatsing daar gaat het beter met hem. Aangezien het duidelijk is dat de vader op dit moment en in de nabije toekomst niet voor [de minderjarige] zal zorgen, vindt de rechtbank de maatregelen van een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing niet langer passend voor de huidige situatie. Uit het systeem van de wet volgt immers dat de maatregelen tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet passend zijn als thuisplaatsing niet meer aan de orde is. Dat past niet bij de tijdelijkheid van die maatregelen, die er in beginsel op zijn gericht de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer bij de ouder met gezag te leggen. De rechtbank is er verder niet van overtuigd dat de voor [de minderjarige] noodzakelijk geachte hulpverlening en het verblijf van [de minderjarige] in het gezinshuis in het vrijwillig kader kunnen worden voortgezet, nu er geen contact te krijgen is met de vader en de vader eerder ook te kennen heeft gegeven niet achter de plaatsing van [de minderjarige] in het gezinshuis te staan. Ook heeft de rechtbank er, gelet op de ervaringen tot op heden, geen vertrouwen in dat de vader de noodzakelijke gezagsbeslissingen alsnog zal nemen. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank dan ook van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW is voldaan en dat beëindiging van het gezag van de vader een gerechtvaardigde en proportionele inmenging vormt in het gezinsleven, zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro.
5.6.
De rechtbank zal het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de vader dan ook toewijzen. Deze beslissing neemt niet weg dat de vader altijd de ouder van [de minderjarige] blijft en dat hun ouder-kind-band ook in de toekomst behouden moet blijven. De rechtbank begrijpt dat [de minderjarige] op dit moment behoefte heeft aan rust en nog niet klaar is voor contactherstel met de vader (en de moeder). De rechtbank hoopt dat de duidelijkheid die met de beslissing tot gezagsbeëindiging ontstaat en het feit dat er geen zittingen meer zullen plaatsvinden, zullen zorgen voor rust, waardoor er in de toekomst wellicht weer ruimte ontstaat voor contact met de vader. De belangen en wensen van [de minderjarige] moeten hierin echter leidend zijn.
5.7.
Aangezien de beëindiging van het gezag van de vader ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [de minderjarige] komt te ontbreken, moet de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hem benoemen. De gecertificeerde instelling heeft zich bereid verklaard de voogdij over [de minderjarige] te aanvaarden. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat de gecertificeerde instelling de voogdij over hem zal krijgen. De gecertificeerde instelling is reeds betrokken in het kader van de ondertoezichtstelling en kan als neutrale instantie beslissingen nemen over [de minderjarige] . De rechtbank zal de gecertificeerde instelling daarom tot voogd over [de minderjarige] benoemen.
5.8.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister [1] .
5.9.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat de rechtbank van oordeel is dat het belang van [de minderjarige] dat vergt. Zoals hiervoor is overwogen, is het voor de ontwikkeling van [de minderjarige] noodzakelijk dat op korte termijn een gezagsdrager een aantal voor hem belangrijke kwesties kan regelen, zoals het openen van een bankrekening. Deze kwesties kunnen niet blijven liggen in afwachting van het verstrijken van de hoger beroepstermijn, zeker gelet op de naderende meerderjarigheid van [de minderjarige] . Het uitvoerbaar verklaren bij voorraad betekent dat de beslissing vanaf nu geldt, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing.
Beëindiging werkzaamheden bijzondere curator
5.10.
De rechtbank stelt vast dat het de bijzondere curator niet is gelukt om de opdracht die de kinderrechter haar bij beschikking van 8 mei 2025 heeft gegeven, te vervullen. De bijzondere curator heeft zich gedurende lange tijd intensief ingezet om een bankrekeningnummer voor [de minderjarige] te openen. Hierbij stuitte de bijzondere curator op problemen die, zo blijkt uit de verklaring van de bijzondere curator ter zitting, werden veroorzaakt door het feit dat de vader nog gezag over [de minderjarige] heeft. Door het beëindigen van het gezag van de vader en het benoemen van de gecertificeerde instelling als voogd, zal de gecertificeerde instelling het aanvragen van een bankrekening voor haar rekening kunnen nemen. De rechtbank concludeert dat daarmee de tussenkomst van de bijzondere curator niet langer nodig is. De rechtbank zal de werkzaamheden van de bijzondere curator in deze zaak daarom, onder dankzegging voor de door haar gepleegde inspanningen, beëindigen.

6.De beslissing

De rechtbank:
in zaak I:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van:
-
[de vader], geboren op [geboortedatum 2] 1988 in [geboorteplaats 2] , [geboorteland 2] ,
over de minderjarige
-
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] , [geboorteland 1] ;
6.2.
benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland Noord;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
vraagt de griffier om van deze beslissing een aantekening te maken in het gezagsregister;
in zaak II:
6.5.
beëindigt de werkzaamheden van de bijzondere curator, mr. D.G.M. van den Hoogen.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.E. Schotte, mr. J.E. Bierling en mr. A. Emmens, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026, in aanwezigheid van
mr. I.M. Kroon als griffier en op schrift gesteld op 13 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.