ECLI:NL:RBDHA:2026:4210

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
NL26.10274
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing maatregel bewaring wegens onvoldoende motivering lichter middel

De minister van Asiel en Migratie legde aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, die bijna zijn hele leven in Nederland heeft gewoond en eigenaar is van drie cafés, stelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel zoals een meldplicht.

De rechtbank oordeelde dat de minister niet voldoende had aangetoond dat geen andere minder dwingende maatregel doeltreffend kon zijn. Hierbij speelde mee dat eiser een langdurig verblijf in Nederland heeft, een gezin en zakelijke belangen, en kampt met ernstige gezondheidsproblemen. Ook was eiser nooit eerder een meldplicht opgelegd en vertrok hij niet met onbekende bestemming.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, oordeelde dat de maatregel van bewaring vanaf het begin onrechtmatig was en beval de opheffing van de maatregel met ingang van 3 maart 2026. Daarnaast kende de rechtbank een schadevergoeding toe van €1.080,- voor de onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde de minister tot betaling van de proceskosten van €1.868,-.

Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens onvoldoende motivering van het niet toepassen van een lichter middel en er wordt een schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10274

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit en het daarmee samenhangende inreisverbod met terugkeerbesluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig is. De rechtbank is van oordeel dat dit vanaf het begin niet het geval is. De maatregel wordt daarom door de rechtbank opgeheven. Het beroep is gegrond. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en wat de gevolgen daarvan zijn.
Lichter middel
2. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij heeft gekozen voor de ingrijpende maatregel van bewaring en waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel zoals een meldplicht.
3. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 [1] en 10 april 2015 [2] en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 [3] .
4. Uit het dossier volgt dat eiser naar Nederland is gekomen als klein kind. Op 23 juli 1987 heeft hij een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gekregen, welke op 16 november 2018 is ingetrokken met terugwerkende kracht per 23 mei 2013. Eiser is bijna zijn hele leven woonachtig in Nederland, waar ook al zijn familie woont waaronder zijn verloofde. Eiser is eigenaar van drie cafés in [plaats] . Verder kampt eiser met gezondheidsklachten, waaronder hartproblemen, diabetes en een hoge bloeddruk.
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de maatregel van bewaring doeltreffend kond worden toegepast. Gelet op eisers langdurige verblijf, familieleven, zakelijke belangen en kwetsbare gezondheid is het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen onvoldoende gemotiveerd in de maatregel van bewaring. Hierbij is van belang dat eiser als eigenaar van drie cafés grote zakelijke belangen heeft alsmede een verantwoordelijkheid tegenover het personeel en de huurders van de woningen boven de cafés. Dat de horecavergunningen recent zijn ingetrokken, maakt niet dat daarmee deze belangen en verantwoordelijkheden ineens zijn verdwenen. Ook de medische problemen van eiser zijn betrokken in dit oordeel. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij hartproblemen heeft en daarvoor medicatie nodig heeft. Verder heeft hij last van een te hoge bloeddruk. Daarbij is eiser al meerdere keren tijdens de vreemdelingenbewaring met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat, gelet op deze omstandigheden, het opleggen van een lichter middel zoals een meldplicht in dit geval niet passend is. Hierbij merkt de rechtbank op dat aan eiser nog niet eerder een meldplicht is opgelegd en dat hij ook nooit met onbekende bestemming is vertrokken. Deze beroepsgrond slaagt.
6. Gelet op het voorgaande is de maatregel vanaf het begin onrechtmatig. Daarom is het niet nodig om wat eiser verder heeft aangevoerd te bespreken en bestaat voor een verdere ambtshalve toetsing geen aanleiding.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 3 maart 2026.
8. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 9 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 9 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.080,-.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 3 maart 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.080,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Deze uitspraak zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl en is uitgesproken en bekendgemaakt op:
03 maart 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking

Voetnoten

3.ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi.