Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4179

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
NL26.7729
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000Art. 5.1a Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en verzoek om schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De minister heeft op 9 februari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft op 24 februari 2026 de zaak behandeld en beoordeelde onder meer of de minister de inlichtingenplicht had geschonden, of de gronden voor bewaring voldoende waren, en of de minister voortvarend had gehandeld.

De rechtbank oordeelde dat de minister de inlichtingenplicht niet had geschonden, ondanks dat de informatiefolder in het Engels was uitgereikt terwijl eiser deze taal niet beheerst, omdat er gebruik was gemaakt van een tolk in de Oromo taal en eiser de maatregel met zijn advocaat kon bespreken. De zware gronden voor bewaring, zoals het niet beschikken over een identiteitsdocument en het niet naleven van een terugkeerbesluit, waren feitelijk juist en voldoende om de maatregel te dragen.

Verder was de minister niet verplicht een lichter middel toe te passen en werd geoordeeld dat de medische zorg in detentie adequaat is. De minister handelde voldoende voortvarend bij de uitzetting, ondanks dat eiser niet persoonlijk kon worden gepresenteerd bij de Ethiopische autoriteiten. Er was nog zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, waardoor de maatregel geen strafrechtelijk karakter kreeg. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7729

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Heeft de minister de inlichtingenplicht geschonden?
1. Eiser voert aan dat hij niet schriftelijk in een taal die hij verstaat op de hoogte is gebracht van de redenen van bewaring. Er is aan hem een informatiefolder uitgereikt in de Engelse taal, maar hij beheerst de Engelse taal niet. De minister had aan eiser een informatiefolder in de Oromo taal moeten uitreiken. Daarmee heeft de minister de inlichtingenplicht geschonden.
1.1.
De rechtbank merkt op dat eiser deze grond eerder heeft aangevoerd in de beroepen die hebben geleid tot de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 november 2025 en 17 februari 2026. [1] De minister had in die zaken ook een informatiefolder in de Engelse taal uitgereikt. De rechtbank heeft in de uitspraak van 18 november 2025 – samengevat – geconcludeerd dat sprake is van een gebrek, omdat eiser niet is geïnformeerd over de redenen van bewaring en mogelijkheden om die aan te vechten in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die verstaat. Dit gebrek maakte de voorgaande inbewaringstelling echter niet zonder meer onrechtmatig, maar gaf aanleiding voor een belangenafweging. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverweging 5.2 en 5.3 van deze uitspraak, die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is bevestigd. [2]
1.2.
Naar het oordeel van de rechtbank valt de belangenafweging in dit geval eveneens uit in het nadeel van eiser. Daartoe is van belang dat uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat met behulp van een tolk in de Oromo taal met eiser is gesproken over de redenen waarom hij in bewaring zal worden gesteld. Verder is hem de informatiefolder in de Engelse taal uitgereikt en is hem de strekking en inhoud uitgelegd met behulp van een tolk in de Oromo taal. Daarnaast is van belang dat het in deze zaak om een taal gaat die in zaken als deze niet vaak wordt gesproken. Uit een andere uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag volgt dat de minister in juli 2025 heeft aangegeven dat hij intussen informatiefolders in 49 talen beschikbaar heeft. [3] Deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd. [4] Van een situatie waarin structureel niet wordt voldaan aan de informatieverplichting is hier bij de huidige stand van zaken dan ook geen sprake. Verder blijkt uit het proces-verbaal van gehoor dat eiser voor aanvang van het gehoor heeft gesproken met zijn advocaat. Eiser heeft de bewaringsmaatregel met zijn advocaat kunnen bespreken en die heeft ook namens hem beroep ingesteld tegen de maatregel. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ook geen aanleiding. [5] De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
Eiser heeft alle gronden betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zware grond 3a terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Zoals de minister terecht stelt, beschikt eiser niet over een identiteitsdocument of visum, ook niet toen hij Nederland binnenkwam. Dat eiser – zoals hij aanvoert – wel een geboorteakte heeft overgelegd en geen andere stukken kon overleggen omdat hij is gevlucht als asielzoeker, doet daar niet aan af. Niet in geschil is immers dat eiser zonder identiteitsdocument en daarmee niet op de voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd. Ook is zware grond 3c feitelijk juist, omdat aan eiser een terugkeerbesluit van 13 maart 2025 bekend is gemaakt, waarin is bepaald dat hij Nederland binnen vier weken moest verlaten. Eiser is desondanks in Nederland gebleven. Dat eiser niet aan zijn vertrekplicht kon voldoen, omdat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst het risico loopt te worden vervolgd, maakt het niet anders. Dit doet immers niet af aan de feitelijke juistheid van de grond.
De rechtbank merkt op dat eisers betoog – dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet meer actueel zijn en eiser daarom niet meer kunnen worden tegengeworpen – ook niet slaagt. Zolang de gronden nog van toepassing zijn (zoals hier het geval is) maakt het louter verstrijken van de tijd geen verschil.
2.2.
Zware gronden 3a en 3c zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, te kunnen dragen. [6] De feitelijke juistheid van deze gronden, maakt dat het risico op onttrekking kan worden aangenomen. [7] Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
3. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan het opleggen van de bewaringsmaatregel. Dit had op de weg van de minister gelegen, gelet op het feit dat hij jongvolwassene is. Daarnaast krijgt eiser in het Justitieel Complex Schiphol (JCS) niet de zorg die hij nodig heeft. Eiser heeft suïcidale uitingen gedaan, waar niets mee gedaan is.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eiser was op het moment van inbewaringstelling 21 jaar. Daarom hoefde de minister bij het opleggen van de maatregel dus geen rekening te houden met een jeugdige leeftijd. Ten aanzien van eisers stelling dat hij in het JCS niet de zorg krijgt die hij nodig heeft, overweegt de rechtbank dat van de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Als zorg niet voldoende kan worden gegeven, wordt eiser overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling.
Eisers toelichting tijdens de zitting – dat hij meermaals om hulp heeft gevraagd, maar deze niet heeft gekregen – leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft dit standpunt immers niet nader onderbouwd. De rechtbank acht daarbij van belang dat de minister tijdens de zitting heeft aangegeven dit onder de aandacht te brengen bij de regievoerder. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Het is niet gelukt om eiser in persoon te presenteren bij de Ethiopische autoriteiten. Het is niet te begrijpen waarom de minister geen andere weg is ingeslagen, zoals bijvoorbeeld een schriftelijke presentatie.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De maatregel van bewaring is op 9 februari 2026 aan eiser opgelegd. Op 16 februari 2026 vond een vertrekgesprek plaats, waarin onder meer is aangegeven dat eiser dient terug te keren naar zijn land van herkomst. Een vertrekgesprek is een daadwerkelijke handeling gericht op vertrek. Dit vond plaats op de zevende dag van de bewaring. Gelet op het vertrekgesprek is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend aan eisers verwijdering uit Nederland heeft gewerkt. [8] Ook loopt een aanvraag voor een laissez passer (lp) bij de Ethiopische autoriteiten. Dat eiser (nog) niet schriftelijk is gepresenteerd, maakt niet dat de minister niet voortvarend handelt. Daarbij wijst de minister erop dat eiser verplicht is om actief mee te werken aan zijn vertrek. Eiser heeft tot tweemaal toe niet meegewerkt aan een presentatie in persoon. De vertraging die het vertrekproces hierdoor oploopt komt voor zijn rekening en risico. De beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreekt het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?
5. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat hij inmiddels beschikt over een nieuw document, waarin staat dat hij gezocht wordt in Ethiopië. Hij kan daarom niet terugkeren naar Ethiopië. De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee beoogd te betogen dat bij terugkeer naar zijn land van herkomst sprake is van schending van het beginsel van non-refoulement zodat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft laatstelijk op 23 januari 2026 een asielaanvraag ingediend. Met de beschikking van 8 februari 2026 heeft de minister deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake is van nieuwe elementen en bevindingen. Daarbij is verwezen naar eisers eerdere asielaanvraag, die bij besluit van 13 maart 2025 is afgewezen als ongegrond. Het door eiser ingestelde beroep tegen die afwijzing is ongegrond verklaard. [9] In deze beschikking van 13 maart 2025 is onder meer opgenomen dat eisers vrees om terug te keren naar Ethiopië, onaannemelijk is. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat hij persoonlijk gezocht wordt en te vrezen heeft voor vervolging dan wel ernstige schade bij terugkeer.
De enkele stelling van eiser tijdens de zitting dat hij inmiddels wel beschikt over een document waaruit dit blijkt, is niet genoeg om tot een ander oordeel te komen. Eiser heeft deze stelling namelijk niet onderbouwd. Bovendien heeft eiser geen duidelijkheid kunnen geven over de inhoud van dit document. Dit betekent dat er nog zicht op uitzetting bestaat binnen een redelijke termijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de voortduring van de maatregel een strafrechtelijk karakter?
6. Eiser voert tot slot aan door de lange duur, de maatregel inmiddels een strafrechtelijk karakter heeft.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat de maatregel van bewaring op 9 februari 2026 aan eiser is opgelegd. De bewaringsmaatregel heeft tot doel de verwijdering te effectueren. Op het moment dat duidelijk wordt dat dit niet binnen een redelijke termijn gaat lukken, krijgt de voortduring van de bewaringsmaatregel een punitief en dus onrechtmatig karakter. Nu onder 5 is overwogen dat zicht op uitzetting naar Ethiopië bestaat binnen een redelijke termijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de voortduring van de maatregel op dit moment een punitief karakter heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. [10]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

2.ABRvS 18 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6080.
3.Rb. Den Haag (zittingsplaats Den Haag) 25 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13701.
4.ABRvS 5 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3662.
5.ABRvS 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180, r.o. 10.
6.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
7.Zie artikel 5.1a, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, in combinatie met artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000.
8.ABRvS 23 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:777, r.o. 7.2.2 en 7.3.
9.Rb. Den Haag (zp. Middelburg) 23 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17574.
10.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).