ECLI:NL:RBDHA:2026:3050

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
NL26.5297
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 28 Wet beëdigde tolken en vertalersArt. 5.1b Vb 2000Art. 5.1a Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens onrechtmatigheid en schadevergoeding

De minister van Asiel en Migratie legde op 26 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 9 februari 2026 opgeheven, waarna de rechtbank het beroep behandelde.

Eiser voerde aan dat het gebruik van een niet-beëdigde tolk in het Oromo onrechtmatig was en dat hij niet in een voor hem begrijpelijke taal schriftelijk was geïnformeerd over de redenen van bewaring. De rechtbank oordeelde dat het gebruik van de niet-beëdigde tolk gerechtvaardigd was vanwege spoed en dat eiser niet was geschaad. Ook was er voldoende communicatie met behulp van de tolk en advocaat, waardoor de maatregel niet onrechtmatig was.

De minister had voldoende gronden voor de bewaring, waaronder het ontbreken van identiteitsdocumenten en het niet naleven van een terugkeerbesluit. De rechtbank vond dat de minister terecht geen lichter middel toepaste en dat het beginsel van non-refoulement niet van toepassing was op deze bewaring.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5297

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 9 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank, als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. In het geval van eiser houdt dit in dat de bewaring over de periode van
26 januari 2026 tot het moment van opheffen van de maatregel van bewaring op
9 februari 2026 voorligt.
Mocht de minister gebruik maken van een niet-beëdigde tolk?
2. Eiser voert aan dat tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling ten onrechte gebruik is gemaakt van een niet-beëdigde tolk in de taal Oromo. De minister heeft zijn keuze voor het gebruik van een niet-beëdigde tolk onvoldoende gemotiveerd.
2.1.
Op grond van artikel 28 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers moet de minister gebruik maken van een beëdigde tolk, tenzij er vanwege vereiste spoed geen beëdigde tolk beschikbaar is. Dit moet de minister dan schriftelijk vastleggen in een proces-verbaal. Dit is in onderhavige zaak ook gebeurd, namelijk in het proces-verbaal van gehoor. [1] Hierin staat dat met spoed een omzetting van de maatregel moest volgen en er op dat moment geen beëdigde tolk tijdig beschikbaar was. Er kon niet worden gewacht tot de volgende dag. Eiser heeft dit niet betwist. De rechtbank betrekt hierbij nog dat in het proces-verbaal staat dat de regievoerder zich ervan heeft vergewist dat eiser en de tolk elkaar goed konden verstaan. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de inhoud van het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal en acht de motivering voldoende, mede vanwege de termijnen die gelden bij de inbewaringstelling. Dat de minister er daarom voor gekozen heeft om een niet-beëdigde tolk in de Oromo taal in te zetten acht de rechtbank niet onrechtmatig. Daarbij valt niet in te zien dat eiser door het gebruik van een niet-beëdigde tolk in zijn belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister eiser schriftelijk in de taal Oromo op de hoogte moeten brengen van de redenen van bewaring?
3. Eiser voert aan dat hij niet schriftelijk in een taal die hij verstaat op de hoogte is gebracht van de redenen van bewaring. Er is aan hem een informatiefolder uitgereikt in de Engelse taal maar hij beheerst de Engelse taal niet. De minister had aan eiser een informatiefolder in de Oromo taal moeten uitreiken. Daarmee is sprake van een vormverzuim.
3.1.
De rechtbank merkt op dat eiser deze grond eerder heeft aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 november 2025. [2] De minister had in die zaak ook een informatiefolder in de Engelse taal uitgereikt. De rechtbank heeft in die uitspraak – samengevat – geconcludeerd dat sprake is van een gebrek, omdat eiser niet is geïnformeerd over de redenen van bewaring en mogelijkheden om die aan te vechten in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die verstaat. Dit gebrek maakte de inbewaringstelling echter niet zonder meer onrechtmatig, maar gaf aanleiding voor een belangenafweging. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverweging 5.2 en 5.3 van deze uitspraak, die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is bevestigd. [3]
3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank pakt de belangenafweging in dit geval eveneens uit in het nadeel van eiser. Daartoe is van belang dat uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat met behulp van een tolk in de Oromo taal met eiser is gesproken over de redenen waarom hij in bewaring zal worden gesteld. Daarnaast is van belang dat het in deze zaak om een taal gaat die in zaken als deze niet vaak wordt gesproken. Uit een andere uitspraak van de Afdeling volgt dat de minister in juli 2025 heeft aangegeven dat hij intussen informatiefolders in 49 talen beschikbaar heeft. [4] Van een situatie waarin structureel niet wordt voldaan aan de informatieverplichting is hier bij de huidige stand van zaken dan ook geen sprake. Verder blijkt uit het proces-verbaal van gehoor dat eiser voor aanvang van het gehoor heeft gesproken met zijn advocaat. Ook heeft eiser met zijn advocaat na afloop van het gehoor gesproken. Eiser heeft dus de bewaringsmaatregel met zijn advocaat kunnen bespreken en die heeft ook namens hem beroep ingesteld tegen de maatregel. Dit alles betekent dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ook geen aanleiding. [5] De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Tevens heeft de minister in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
4.1.
Eiser heeft alle gronden betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zware grond 3a terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Zoals de minister terecht stelt, beschikt eiser niet over een identiteitsdocument of visum, ook niet toen hij Nederland binnenkwam. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard hier niet over te beschikken. [6] Dat eiser – zoals hij aanvoert – wel een geboorteakte heeft overgelegd en geen andere stukken kon overleggen omdat hij is gevlucht als asielzoeker, doet daar niet aan af. Niet in geschil is immers dat eiser zonder identiteitsdocument en daarmee niet op de voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd. Ook is zware grond 3c feitelijk juist, omdat aan eiser een terugkeerbesluit van 13 maart 2025 is bekend gemaakt, waarin is bepaald dat eiser Nederland binnen vier weken moest verlaten. Eiser is desondanks in Nederland gebleven. Dat eiser inmiddels actief bezig is met zijn opvolgende asielaanvraag, maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank merkt op dat eisers betoog – dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet meer actueel zijn en eiser daarom niet meer kunnen worden tegengeworpen – ook niet slaagt. Zolang de gronden nog van toepassing zijn (en dat is in dit geval) maakt het louter verstrijken van de tijd geen verschil. De stelling van eiser dat de motivering van deze gronden algemeen is en niet is gebaseerd op zijn individuele situatie, zoals is vereist door het arrest Mahdi van het Hof van Justitie [7] , volgt de rechtbank gezien de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden niet.
4.2.
Zware gronden 3a en 3c zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw 2000, te kunnen dragen. [8] De feitelijke juistheid van deze gronden, maakt dat het risico op onttrekking kan worden aangenomen. [9] Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan het opleggen van de bewaringsmaatregel, omdat er geen sprake is van zicht op uitzetting. Daarnaast is onvoldoende rekening gehouden met het feit dat eiser een jongvolwassene is. Eiser wordt ook geconfronteerd met nare situaties in het detentiecentrum, hij is namelijk onder andere bedreigd. De maatregel van bewaring is onevenredig bezwarend.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat de huidige bewaring is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000. Voor bewaring op grond van deze bepaling is geen redelijk vooruitzicht op verwijdering vereist. [10] Of het zicht op uitzetting al dan niet ontbreekt, is voor de beoordeling van dit beroep dus niet relevant. Die rechtbank ziet dan ook geen reden om te oordelen dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat het zicht op uitzetting zou ontbreken.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eiser was op het moment van inbewaringstelling 21 jaar. Daarom hoefde de minister bij het opleggen van de maatregel dus geen rekening te houden met een jeugdige leeftijd. De minister heeft terecht opgemerkt dat eiser bij het gehoor niet heeft aangegeven dat zijn leeftijd maakt dat de bewaring onevenredig bezwarend voor hem is. Ten aanzien van eisers stelling dat hij bedreigd wordt en dat binnen het detentiecentrum sprake is van een gebrek aan beveiliging door het personeel, overweegt de rechtbank dat eiser zich daarvoor dient te wenden tot de directeur van het detentiecentrum. Bij de directeur van het detentiecentrum kan eiser klagen over zijn veiligheid en het optreden van het personeel. Eiser heeft geen (andere) concrete individuele omstandigheden naar voren gebracht die leiden tot het oordeel dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister rekening moeten houden met het beginsel van non-refoulement?
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het beginsel van non-refoulement.
6.1.
Zoals onder 5.1 overwogen, is zicht op uitzetting geen voorwaarde bij de inbewaringstelling op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000, waardoor het doel van de maatregel is de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Er is geen sprake van een situatie dat eiser in bewaring is gesteld ter fine van verwijdering ter uitvoering van een definitief terugkeerbesluit. De minister hoefde daarom niet te beoordeelden of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de in bewaringstelling. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaand aan het opheffen daarvan onrechtmatig is geweest. [11]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.M110 Proces-Verbaal van gehoor bij bewaring-terugkeerbesluit en of inreisverbod, p. 2.
2.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 18 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21740.
3.ABRvS 18 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6080.
4.ABRvS 5 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3662.
5.Zie ABRvS van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180, ro. 10.
6.M110 Proces-Verbaal van gehoor bij bewaring-terugkeerbesluit en of inreisverbod, p. 4.
7.HvJEU 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320.
8.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
9.Zie artikel 5.1a, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, in combinatie met artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000.
10.Zie artikel 8, derde lid, van de Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn) en ABRvS 10 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4131.
11.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).