Eiser diende op 13 december 2023 een asielaanvraag in. De minister wees deze op 27 februari 2024 af als kennelijk ongegrond, maar deze afwijzing werd op 11 april 2024 door de rechtbank gegrond verklaard, waardoor de minister opnieuw moest beslissen.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn van zes maanden, die uiterlijk op 11 oktober 2024 verliep, is overschreden. Eiser verzocht de minister na het verstrijken van deze termijn alsnog binnen twee weken te beslissen, maar de minister kwam hier niet aan tegemoet, waarna eiser beroep instelde.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. De minister wordt opgedragen binnen acht weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen, met inachtneming van het '8+8 wekenmodel' van de Afdeling bestuursrechtspraak. Bij overschrijding van deze termijn wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd, met een maximum van €15.000.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €467. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.