ECLI:NL:RBDHA:2026:4130

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
NL25.63194
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 18 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting en verklaart het kennelijk ongegrond.

De rechtbank stelt vast dat uit het Eurodac-systeem blijkt dat eiser in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend, waardoor de minister terecht heeft aangenomen dat Duitsland verantwoordelijk is. Eiser voerde aan dat de registratie in Duitsland niet gelijkstaat aan een asielaanvraag en dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, maar de rechtbank oordeelt dat het voornemen voldoende gemotiveerd was en het beginsel van hoor en wederhoor niet is geschonden.

Eiser stelde dat bijzondere omstandigheden, zoals bedreigingen in Duitsland, een onverplichte behandeling van zijn aanvraag in Nederland rechtvaardigen. De rechtbank volgt dit niet en overweegt dat de minister terughoudend moet zijn bij het toepassen van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, maar dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn situatie een uitzondering rechtvaardigt.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland van toepassing blijft. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en eiser kan worden overgedragen aan Duitsland.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63194

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. F. van Dijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 december 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op dit verzoek wordt apart beslist. [1]
1.2.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [2] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] In dit geval heeft Nederland op 4 december 2025 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 8 december 2025 aanvaard, op grond van artikel 18, eerste lid en onder b van de Dublinverordening.
Is er sprake van een eerdere asielaanvraag in Duitsland?
5. Eiser stelt dat hij geen asiel heeft aangevraagd in Duitsland en dat de minister niet zonder meer kan aannemen dat de registratie van eiser in Duitsland gelijkstaat aan een asielaanvraag. Door aan deze registratie doorslaggevende betekenis toe te kennen, hanteert de minister volgens eiser een te formalistische benadering, wat de besluitvorming onzorgvuldig maakt. Het feit dat Duitsland de registratie als een asielaanvraag aanmerkt, maakt dit volgens eiser niet anders.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat uit de Eurodac-treffer blijkt dat er in Duitsland een asielaanvraag is ingediend. De minister mag op basis van de gegevens uit het Eurodac systeem aannemen dat een eerdere asielaanvraag in Duitsland is gedaan. [4] Zodoende is dit standpunt van de minister deugdelijk gemotiveerd en het besluit op dit punt niet onzorgvuldig. De rechtbank ziet in de niet nader onderbouwde stelling van eiser geen aanleiding om te concluderen dat er geen asielaanvraag in Duitsland is ingediend.
Is het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen?
6. Eiser betoogt dat het besluit van de minister onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hiertoe voert eiser aan dat de minister in het voornemen niet heeft toegelicht waarom eiser niet heeft aangetoond dat er een reëel risico bestaat op slechte behandeling als gevolg van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvang in Duitsland, of waarom de gegevens van eiser niet wijzen op een bijzondere situatie. Eiser meent dat hem hierdoor de mogelijkheid is ontnomen om te reageren op de weging van de door hem aangedragen feiten en omstandigheden, en zodoende het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.
6.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het voornemen voldoet aan de aan de daaraan gestelde vereisten, omdat het de dragende overwegingen bevat. Zo heeft de minister in het voornemen gemotiveerd waarom Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. In het voornemen is bovendien aangegeven dat er geen reden is om aan te nemen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Het enkele feit dat niet alle afzonderlijke bezwaren van eiser tegen een overdracht aan Duitsland in het voornemen zijn betrokken kan dan ook, op zichzelf, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraken van de Afdeling [5] van 23 november 2023 [6] en 11 april 2025 [7] en ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Had de minister de asielaanvraag van eiser onverplicht in behandeling moeten nemen?
7. Eiser betoogt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister de asielaanvraag op basis van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling had moeten nemen. Ter onderbouwing stelt eiser dat hij zich in Duitsland niet veilig voelt vanwege personen die hem eerder in Frankrijk hebben bedreigd en mishandeld en die weten dat hij zich in Duitsland bevindt. Volgens eiser kan in dat licht niet van hem worden verwacht dat hij in Duitsland bescherming vraagt of afwacht totdat zich daar concrete bedreigingen voordoen.
7.1.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, in samenhang met paragraaf C2/5 van de Vc 2000 [8] ,de minister een asielaanvraag onverplicht aan zich trekt als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In genoemde paragraaf staat verder dat de minister terughoudend gebruikmaakt van deze bevoegdheid wanneer Nederland op grond van de Dublinverordening niet gehouden is de aanvraag te behandelen. De rechtbank stelt vast dat de minister bij de toepassing van deze bevoegdheid beoordelingsruimte heeft, zodat zij terughoudend toetst of de minister gebruik had moeten maken van deze bevoegdheid.
7.2.
Uitgaande van die terughoudende toets is de rechtbank van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers omstandigheden geen aanleiding vormen om zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. Eiser heeft zijn stellingen niet onderbouwd. De minister heeft in de omstandigheden van eiser dan ook geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Bovendien wijst de minister terecht op de mogelijkheid dat eiser zich, indien zich onverhoopt problemen voordoen in Duitsland, kan wenden tot de Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Duitse autoriteiten hem hierbij niet kunnen of willen helpen.
Kan de minister ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan?
8. De rechtbank stelt vast dat in de beroepsgronden geen beroep wordt gedaan op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025, van dit beginsel ten aanzien van Duitsland nog steeds mag worden uitgegaan. [9]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van V.M. de Koning, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit verzoek wordt behandeld onder zaaknummer NL25.63195.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Zie ABRvS 18 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2625, ABRvS 24 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1583.
5.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Vreemdelingencirculaire 2000.
9.Zie ABRvS 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.