Art. 3 EVRMArt. 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de VwArt. 30b, eerste lid, aanhef en onder e, f en g, van de VwArt. 31, eerste lid, van de VwArt. 31, zesde lid, aanhef en onder a, c en e, van de Vw
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid homoseksuele gerichtheid en kennelijk ongegrond
Eiser, een Marokkaanse man, diende op 10 november 2025 een opvolgende asielaanvraag in, die door de minister van Asiel en Migratie op 5 december 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser voerde aan dat hij vanwege zijn homoseksuele gerichtheid vervolging in Marokko vreest, maar verweerder vond zijn verklaringen ongeloofwaardig en stelde dat hij geen reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer.
De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 12 februari 2026. Eiser stelde onder meer dat de geloofwaardigheidsbeoordeling onzorgvuldig en in strijd met het Unierecht was, en dat verweerder ten onrechte geen medisch onderzoek had aangeboden. De rechtbank oordeelde dat verweerder geen nader medisch onderzoek hoefde te verrichten, dat de geloofwaardigheidsbeoordeling integraal en zorgvuldig was uitgevoerd, en dat de tegenstrijdigheden in de verklaringen terecht waren meegewogen.
Verder concludeerde de rechtbank dat verweerder terecht had vastgesteld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft en dat de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond was afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.60200 (beroep) en NL25.60201 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 10 november 2025 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het besluit van 5 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. [1] Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk was aanwezig F. El Haji.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Vorige procedures
2. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1988. Op 9 augustus 2017 heeft eiser een eerste asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag. Deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, heeft het beroep van eiser tegen dit besluit op 24 oktober 2017 ongegrond verklaard. [2]
3. Eiser heeft op 24 juli 2019 opnieuw asiel aangevraagd. Aan die aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij geen familie heeft in Marokko, daar eenzaam is en daar niets te zoeken heeft. Verder is zijn Nederlandse vriendin enkele maanden zwanger en wil hij de geboorte van zijn zoon in Nederland afwachten. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op 9 augustus 2019 afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst en hij geen asielgerelateerde motieven voor zijn vertrek naar voren heeft gebracht. Ook heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd. Tegen deze afwijzing is door eiser beroep ingesteld. Dit beroep is op 28 augustus 2019 ongegrond verklaard door deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam. [3] Het besluit van 9 augustus 2019 staat dus in rechte vast.
4. In juli 2025 heeft eiser nog een asielaanvraag ingediend, maar deze heeft hij weer ingetrokken.
5. De onderhavige zaak gaat over de opvolgende asielaanvraag van eiser.
Het asielrelaas
6. Eiser heeft – kort samengevat – aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vanwege zijn homoseksuele gerichtheid te vrezen heeft in Marokko. In 2008 is hij op heterdaad betrapt door zijn jongere broer. Via hem is het bij de rest van de familie bekend geworden. Eiser is daarna meerdere keren door zijn broer bedreigd. Verder heeft eiser naar voren gebracht dat het relaas dat hij bij zijn eerdere aanvraag naar voren heeft gebracht gelogen is.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst; en
homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortkomende problemen.
7.1.
Verweerder heeft eisers identiteit en herkomst in de eerdere procedure al ongeloofwaardig gevonden. In de vorige procedure is eisers nationaliteit wel geloofwaardig geacht. Eisers homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortkomende problemen vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft geen oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven. [4] Verweerder vindt ook dat eisers verklaringen over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [5] Verder kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. [6] Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voor wat betreft het geloofwaardig geachte asielmotief een vrees voor vervolging heeft [7] of een reëel risico op ernstige schade loopt [8] bij terugkeer naar Marokko. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat hij verklaringen heeft afgelegd die als kennelijk vals zijn beoordeeld [9] , hij zijn aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting of overdracht uit te stellen of te verijdelen [10] , en zijn aanvraag een opvolgende aanvraag is die niet niet-ontvankelijk is verklaard [11] .
Wat vindt eiser in beroep?
8. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst is het door verweerder gehanteerde toetsingskader onder meer niet verenigbaar met Werkinstructie (WI) 2019/17 en heeft er geen integrale, contextuele beoordeling plaatsgevonden. De nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling die verweerder verricht op basis van WI 2024/6 is daarnaast ook in strijd met het Unierecht. In dit verband wijst eiser op de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025 [12] . Verder heeft verweerder ten onrechte geen nader onderzoek verricht naar de psychische kwetsbaarheid van eiser. Ook had verweerder de onwaarheden uit de eerdere procedures niet zo absoluut mogen tegenwerpen nu deze contextueel gewogen hadden moeten worden. Verweerder heeft verder ten onrechte nagelaten een actuele, zelfstandige en ex nunc-toets te verrichten aan artikel 3 vanPro het EVRM [13] . Om die reden verzet eiser zich ook tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Tot slot heeft verweerder de aanvraag niet als kennelijk ongegrond mogen afwijzen nu er geen sprake is van een evident kansloze aanvraag.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
9. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Is het besluit zorgvuldig tot stand gekomen?
10. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder ten onrechte geen nader onderzoek heeft verricht naar de psychische kwetsbaarheid van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. Bij opvolgende aanvragen bestaat voor verweerder geen verplichting een medisch onderzoek aan te bieden. [14] Wel kan het zijn dat er op basis van het dossier of op verzoek van de gemachtigde aanleiding bestaan om een dergelijk medisch onderzoek te verrichten. [15] Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daartoe geen aanleiding hoeven zien. Eiser heeft tijdens het gehoor weliswaar gewezen op klachten waarvoor hij medicijnen slikte [16] , maar hij heeft niet onderbouwd waaruit zou blijken dat hij vanwege zijn medische situatie niet gehoord kon worden. Eiser heeft destijds en ook in beroep niet met stukken of nadere verklaringen onderbouwd dat er medische omstandigheden zijn die maken dat niet kan worden uitgegaan van zijn verklaringen in het gehoor of dat hij niet goed heeft kunnen verklaren. Ook heeft eiser in zijn beroepsgronden en op zitting niet duidelijk gemaakt waarom en op welke wijze hij belemmerd is geweest in het verklaren. Niet is dan ook gebleken dat eiser niet in de gelegenheid is geweest om zijn asielrelaas voldoende naar voren te brengen. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen nader medisch onderzoek hoeven aanbieden. De beroepsgrond slaagt niet.
De geloofwaardigheidsbeoordeling in het algemeen
11. De rechtbank ziet in dat wat eiser heeft aangevoerd ten aanzien van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals die is vastgelegd in WI 2024/6 geen aanleiding voor het oordeel dat de door verweerder gehanteerde werkwijze onzorgvuldig is en in strijd is met het Unierecht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
12. In de prejudiciële vragen van 7 januari 2025 [17] heeft de rechtbank zich onder meer afgevraagd of de nieuwe werkwijze van verweerder met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het Unierecht. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 6 maart 2025 uitspraak gedaan over onder meer deze vraag. [18] Uit deze uitspraak volgt dat de nieuwe werkwijze niet in strijd is met het Unierecht. Wel moet verweerder alle omstandigheden in een specifiek geval altijd in samenhang beoordelen om tot een conclusie over de geloofwaardigheid te komen. De cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw kunnen dus niet als strikte checklist worden getoetst door verweerder. Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat de werkwijze van verweerder met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling op zichzelf in strijd is met het Unierecht, slaagt dat betoog dus niet.
De geloofwaardigheidsbeoordeling ten aanzien van de gestelde homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortkomende problemen
13. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder in het geval van eiser geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt, slaagt dit betoog niet. Verweerder heeft gekeken naar de verklaringen van eiser, is vervolgens overgegaan tot een geloofwaardigheidsbeoordeling en heeft getoetst aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Omdat in dit geval niet aan alle voorwaarden van dit artikel wordt voldaan, heeft verweerder het asielmotief niet geloofwaardig gevonden. Dat verweerder niet de waarde toekent aan de verklaringen die eiser daaraan wenst toe te kennen, betekent niet dat er geen integrale beoordeling heeft plaatsgevonden. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft onderbouwd welke verklaringen volgens hem niet of onvoldoende bij de beoordeling zouden zijn betrokken en op welke punten volgens hem onvoldoende rekening is gehouden met cultuur, repressie, schaamte en psychische ontregeling. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
14. Verder heeft verweerder, anders dan eiser betoogt, naar het oordeel van de rechtbank de tegenstrijdigheid van zijn huidige verklaringen met zijn verklaringen uit de eerdere procedure wel mogen betrekken en daaraan betekenis mogen toekennen. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder niet enkel heeft verwezen naar de tegenstrijdigheden, maar ook uitdrukkelijk is ingegaan op de door eiser daarvoor gegeven verklaringen, waaronder schaamte, angst, psychische ontregeling en het proces van bewustwording. Verweerder heeft gemotiveerd uiteengezet waarom deze omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende verklaren dat eiser in de verschillende procedures op essentiële onderdelen onjuiste en wisselende verklaringen heeft afgelegd. Dat eiser een andere waardering aan zijn verklaringen wenst te geven, maakt niet dat verweerder deze niet ontoereikend heeft kunnen vinden als verklaring voor de tegenstrijdigheden.
Mocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade?
15. Verweerder heeft eisers gestelde homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortkomende problemen ongeloofwaardig geacht. In beroep heeft eiser de individuele tegenwerpingen niet betwist. Verweerder heeft dan ook kunnen stellen dat eiser voor wat betreft dit asielmotief geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade [19] . De beroepsgronden die zien op dit asielmotief slagen daarom al niet.
16. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten een actuele, zelfstandige en ex nunc-toets te verrichten aan artikel 3 vanPro het EVRM, slaagt deze beroepsgrond niet. Verweerder heeft immers getoetst of eiser voor wat betreft het geloofwaardig geachte asielmotief een reëel risico op ernstige schade loopt [20] bij terugkeer naar Marokko en daarbij overwogen dat de omstandigheid dat eiser uit Marokko komt op zichzelf niet genoeg is om een dergelijk risico aan te nemen.
Mocht verweerder de asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond?
17. Eiser betoogt dat de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgewezen omdat er, gelet op de inhoud en complexiteit van zijn dossier, geen sprake kan zijn van een evident kansloze aanvraag. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verweerder heeft aan de kwalificatie kennelijk ongegrond ten grondslag gelegd dat eiser kennelijk valse verklaringen heeft afgelegd, dat hij zijn aanvraag enkel heeft ingediend om uitzetting te voorkomen en dat sprake is van een opvolgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard. [21] De door eiser aangevoerde omstandigheden nemen niet weg dat verweerder toepassing heeft mogen geven aan de in artikel 30b, eerste lid, van de Vw genoemde gronden. Bovendien heeft eiser de specifieke tegenwerpingen niet betwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond voldoende heeft onderbouwd.
Heeft verweerder een actuele individuele beoordeling in het kader van het terugkeerbesluit en het inreisverbod gemaakt?
18. Zoals in rechtsoverweging 16. overwogen, heeft verweerder getoetst of eiser voor wat betreft het geloofwaardig geachte asielmotief een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Marokko. Naar het oordeel van de rechtbank heeft er dan ook een actuele en individuele beoordeling van het risico bij terugkeer plaatsgevonden. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder ook een actuele risicoanalyse met inachtneming van de situatie voor lhbti-personen in Marokko had moeten uitvoeren, slaagt deze beroepsgrond niet. Verweerder heeft eisers seksuele gerichtheid immers ongeloofwaardig mogen vinden.
Conclusie en gevolgen
19. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
20. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
21. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoten
1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, f en g, van de Vw.