ECLI:NL:RBDHA:2026:4107

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
NL25.54478
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
IB 2022/102Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag afgewezen wegens onvoldoende zwaarwegendheid, beroep gegrond verklaard

Eiser, een schrijver van Omaanse nationaliteit, diende op 30 september 2025 een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie op 27 oktober 2025 werd afgewezen. De minister oordeelde dat de problemen van eiser met de Omaanse autoriteiten niet zwaarwegend genoeg waren voor internationale bescherming en vaardigde een terugkeerbesluit uit.

Eiser stelde dat hij vanwege zijn kritische verhalen en politieke overtuigingen in Oman werd vervolgd, gevangen gezet en onder censuur stond, waardoor hij niet in zijn levensonderhoud kon voorzien. De rechtbank oordeelde dat de minister de geloofwaardigheid van deze verklaringen niet had getoetst en de zaak ten onrechte had afgedaan via de pilot zwaarwegendheid.

De rechtbank stelde vast dat verweerder niet alle verklaringen van eiser als uitgangspunt had genomen en onvoldoende actuele informatie had gebruikt om de vrees voor vervolging te weerleggen. De rechtbank volgde eiser in zijn stellingen over repressie, censuur en het ontbreken van effectieve bescherming in Oman.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.54478
[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1980, van Omaanse nationaliteit, eiser,
(gemachtigde: mr. H.M. Pot),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de ongegrondverklaring van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
1.1.
Eiser heeft op 30 september 2025 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 oktober 2025 afgewezen als ongegrond. Bij deze afwijzing heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met een termijn van vier weken uitgevaardigd.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R. Samed als tolk Arabisch en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Asielrelaas
2. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser schrijft sinds 2011 sciencefiction verhalen. Hij heeft in 2016 een ( [soort] )verhaal geschreven over een [onderwerp] die rechten heeft gekregen. Het verhaal was bedoeld als kritiek op de overheid, de dochter in het verhaal stond symbool voor de sultan van Oman. De overheid heeft het tijdschrift met het verhaal direct van de markt gehaald omdat het jongeren tegen de overheid kon opzetten. Eiser zegt dat door zijn verhaal alle cartoons in Oman verboden zijn en dat de afdeling tijdschriften van Borders bookshop, die internationale geschriften naar Oman brengt, is gesloten. Eiser kreeg bekendheid door een artikel in een krant over zijn tijdschrift. Ook eerder werk van eiser werd van de markt gehaald. De Omaanse overheid heeft eiser verboden om nog verhalen te schrijven en te publiceren. Vervolgens is eiser drie maanden gevangengezet. Eiser is tegen het publicatieverbod een gerechtelijke procedure gestart, maar zijn klacht is afgewezen. In het vonnis staat dat eiser geen procedure meer mag voeren tegen het Ministerie van Binnenlandse Zaken. In 2022 heeft eiser een brief gestuurd aan de minister van Binnenlands Zaken, waarin hij uitlegt dat hij door het publicatieverbod niet kan werken en schulden heeft en dat hij opnieuw naar de rechter wil stappen. Dit werd door de minister als een dreigement gezien. Eiser werd vervolgens bedreigd en wederom drie maanden gevangengezet. Hij werd gedwongen een geheimhoudingsverklaring te ondertekenen. Als hij zou zeggen wat hem was overkomen, dan zou hem een gevangenisstraf van zes tot tien jaar worden opgelegd. Eiser heeft vervolgens een visum aangevraagd en hij heeft op reguliere wijze zijn land verlaten. In Qatar heeft eiser op het platform X een bericht geplaatst over zijn ervaringen in de gevangenis in Oman. Dat was in een groep van tegenstanders van het regime. Een aantal dagen voor het nader gehoor heeft eiser de oproep geplaatst om in opstand te komen tegen de dictator. Hij wil dat Oman democratisch wordt en vrijheid aan de mensen geeft. Ook wil hij een klacht indienen bij het hof van justitie van Oman over het onrecht dat de overheid hem heeft aangedaan. Bij terugkeer vreest eiser voor de Omaanse autoriteiten.
Bestreden besluit
3. Verweerder heeft de volgende asielmotieven beoordeeld:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • problemen met de autoriteiten.
3.1.
Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen van eiser met de autoriteiten worden op voorhand niet zwaarwegend genoeg geacht om te leiden tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Dit asielmotief is daardoor niet op geloofwaardigheid getoetst.
Ontvankelijkheid
4. Verweerder heeft het bestreden besluit op 30 oktober 2025 bekendgemaakt door toezending per e-mail aan de gemachtigde. Het beroepschrift is op 6 november 2025 ontvangen en daarmee tijdig ingediend. Het beroep is ontvankelijk.
Juridisch kader
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief ‘problemen met de autoriteiten’ niet heeft beoordeeld. Dat betekent dat de rechtbank het besluit moet toetsen alsof verweerder de geloofwaardigheid van dit asielmotief heeft aangenomen. [1] Daarbij is van belang dat verweerder niet van een deel van de verklaringen de geloofwaardigheid in het midden kan laten en een ander deel van de verklaringen geloofwaardig of ongeloofwaardig kan achten. Op de zitting heeft verweerder verduidelijkt dat de zaak is afgedaan in de pilot zwaarwegendheid zoals beschreven in IB 2022/102 [2] .
5.1.
In IB 2022/102 staat dat normaliter altijd eerst de geloofwaardigheid van de relevante elementen van een asielrelaas wordt getoetst. Daarna worden de geloofwaardig geachte relevante elementen getoetst op zwaarwegendheid. Soms is het echter op voorhand al duidelijk dat de verklaringen – indien geloofwaardig – nimmer zwaarwegend genoeg zijn om te leiden tot gegronde vrees voor vervolging. De geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling wordt daarbij uitdrukkelijk in het midden gelaten. Bij de beoordeling van de zwaarwegendheid moeten alle verklaringen van de vreemdeling als uitgangspunt worden genomen. Het is niet mogelijk om de geloofwaardigheid van slechts een deel van de verklaringen in het midden te laten.
5.2.
Volgens het IB 2022/102 zijn er in beginsel twee type zaken te onderscheiden waarin de voorgestelde werkwijze kan worden toegepast:
“1. Vreemdelingen waarvan de gestelde problemen niet asiel gerelateerd zijn of van zo’n aard en omvang zijn dat deze verlening van internationale bescherming noodzakelijk maken. Dat zijn bijvoorbeeld zaken waarin een vreemdeling enkel economische motieven naar voren brengt of om bescherming vraagt omdat hij in zijn land van herkomst wordt gediscrimineerd, maar de discriminatie niet van zo’n aard is dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming [voetnoot: Denk bijv. aan de situatie dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor de door hem gewenste baan of dat hij één keer op straat wordt aangesproken of bespuugd.].
2. Vreemdelingen die de bescherming van de autoriteiten in hun land van herkomst kunnen inroepen tegen de problemen waarvoor zij stellen te vrezen. Het gaat in dit soort zaken om het inroepen van effectieve bescherming, zoals neergelegd in C2/3.4 Vc [3] .”
5.3.
Verder staat in het IB 2022/102 beschreven welke zaken zich op voorhand niet lenen voor afdoening op grond van zwaarwegendheid zonder eerst de geloofwaardigheid te toetsen. De volgende voorbeelden worden hierbij genoemd:
“ - er onvoldoende landeninformatie voorhanden is om tot het oordeel te komen dat er in zijn algemeenheid bescherming van de autoriteiten van het land van herkomst kan worden verkregen voor de gestelde problemen;
- de vreemdeling stelt te vrezen voor iets dat zonder meer raakt aan vervolging. Het gaat hier om zaken waarin de vreemdeling bijvoorbeeld vervolging vreest van de autoriteiten;
- de vreemdeling stelt dat hij tevergeefs geprobeerd heeft de bescherming van de (hogere) autoriteiten in te roepen. In deze zaken kunnen de verklaringen van de vreemdelingen hieromtrent beter op geloofwaardigheid beoordeeld worden.”
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank stelt voorop dat de zaak van eiser zich naar haar oordeel niet leent voor afdoening in de pilot, omdat die valt onder de in overweging 5.3. beschreven zaken. Verweerder heeft er toch voor gekozen om de door eiser gerelateerde problemen met de Omaanse autoriteiten enkel te beoordelen op zwaarwegendheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarbij, in strijd met de pilot en de aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling, niet alle verklaringen van eiser als uitgangspunt genomen. Eiser stelt immers niet meer te kunnen werken als schrijver in Oman en dat hij daardoor voor zijn levensonderhoud is aangewezen op zijn ouders en zelf geen inkomsten meer kan genereren. In het aanmeldgehoor heeft hij al aangegeven dat hij niet meer mocht werken en zeker niet publiceren en dat hij probeerde ander werk te zoeken, maar door iedereen werd geweigerd. Verweerder heeft dit in de beoordeling van de zwaarwegendheid niet als uitgangspunt genomen. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat eiser niet onderbouwd heeft dat hij niet kan werken en dat eiser op een andere wijze in zijn inkomen kan voorzien. Eiser kiest er volgens verweerder voor om zodanig te schrijven dat hij niet in Oman kan publiceren. Daarmee neemt verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet alle verklaringen van eiser als uitgangspunt bij de beoordeling van de zwaarwegendheid. Verweerder volgt eiser immers niet in zijn verklaring dat hij niet in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien.
6.1.
Verweerder stelt dat uit rapporten blijkt dat de wijze waarop de autoriteiten in Oman omgaan met kritische schrijvers te wensen overlaat, maar dat dit niet betekent dat eiser zodanig wordt geraakt dat hij na 2022 nog in de problemen is gekomen. Eiser stelt echter wel in de problemen te zijn gekomen. Hij is weliswaar niet voor een derde keer gevangengezet, maar stelt dat hij te maken had met repressie en censuur. Hij mocht niet publiceren en ook niets over zijn detentie op sociale media plaatsen, op straffe van een gevangenisstraf van zes of tien jaar. Verweerder neemt ook deze verklaring van eiser niet als uitgangspunt bij zijn beoordeling.
6.2.
Uit de aangehaalde uitspraak van de Afdeling [4] volgt dat het er bij de rechterlijke toetsing van het bestreden besluit voor moet worden gehouden dat verweerder de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. Daarvan uitgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende met actuele informatie heeft gemotiveerd dat de vrees van eiser voor vervolging niet aannemelijk is. Over de situatie in Oman is geen algemeen ambtsbericht verschenen. Ook is er geen informatie over de bescherming van kritische schrijvers tegen de Omaanse overheid. Eiser heeft gesteld dat hij die bescherming wel heeft gezocht door een klacht in te dienen, maar deze bescherming is niet effectief gebleken en het publicatieverbod geldt nog steeds. Verder volgt uit het relaas van eiser dat hij met zijn bericht op X over zijn detentie in Oman de geheimhoudingsverklaring heeft geschonden en hem daardoor bij terugkeer een gevangenisstraf van zes tot tien jaar te wachten staat. Uit het relaas van eiser blijkt verder dat hij te maken heeft gehad met repressie en censuur van de Omaanse overheid en dat het hem onmogelijk wordt gemaakt om als schrijver in zijn levensonderhoud te voorzien. Daarbij wijst de rechtbank erop dat het relaas van eiser duidelijk blijk geeft van een politieke overtuiging. Hij stelt immers dat hij met zijn werk als schrijver een politiek doel nastreeft en dat volgens hem in Oman sprake is van een dictatoriaal regime waartegen in opstand moet worden gekomen. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat het asielrelaas van eiser onvoldoende zwaarwegend is. Het beroep slaagt. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
8. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van
mr.B. Kingma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333, rechtsoverweging 8.1.
2.Informatiebericht 2022/102 Afdelingsuitspraken inzake de pilot afdoen op zwaarwegendheid.
3.Vreemdelingencirculaire 2000.
4.Uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333.