Eiser, een Marokkaanse derdelander die rechtmatig verbleef in Oekraïne en tijdelijke bescherming genoot in Nederland, werd geconfronteerd met een besluit van de minister van Asiel en Migratie dat zijn tijdelijke bescherming na 4 maart 2024 eindigt en dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar Marokko.
Na prejudiciële vragen aan het HvJ EU en daaropvolgende jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en rechtbanken, nam de minister een vervangend terugkeerbesluit. Eiser betwistte dit besluit onder meer op grond van het vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel en schending van de hoorplicht.
De rechtbank oordeelt dat het terugkeerbesluit rechtmatig is, omdat de tijdelijke bescherming van derdelanders Oekraïne eerder mag eindigen dan die van Oekraïners, en dat de bevriezingsmaatregel geen rechtmatig verblijf oplevert. De rechtbank wijst het beroep af en veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser.