De minister legde op 7 februari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet (Vw), vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Eiser stelde dat de ophouding onrechtmatig was omdat zijn rechtmatig verblijf was geëindigd toen hij met onbekende bestemming vertrok, en dat er onjuistheden in het proces-verbaal stonden.
De rechtbank oordeelde dat het rechtmatig verblijf van eiser op grond van artikel 8, onder m van de Vw inderdaad was geëindigd, maar dat hij door het tijdig instellen van beroep tegen het overdrachtsbesluit opnieuw rechtmatig verblijf had verkregen op grond van artikel 8, onder h van de Vw. De ophouding vond daarom terecht plaats op grond van artikel 50a van de Vw. De genoemde onjuistheden in het proces-verbaal waren standaardteksten en hebben eiser niet geschaad.
De rechtbank stelde vast dat er voldoende gronden waren voor de bewaring, hoewel lichte grond 4e (strafbare feiten) ten onrechte was meegenomen. De minister had voldoende gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstond. De minister werkte voortvarend aan de overdracht en had een vlucht geboekt met vertrek op 19 maart 2026, zodat de bewaring niet langer dan redelijkerwijs nodig zou duren. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard.