ECLI:NL:RVS:2022:735
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging hernieuwde vreemdelingenbewaring ondanks eerdere bewaring onder Dublinverordening
De staatssecretaris stelde de vreemdeling op 20 oktober 2021 opnieuw in bewaring om overdracht aan Zwitserland mogelijk te maken. De vreemdeling was eerder meerdere keren in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarna hij hoger beroep instelde.
De vreemdeling betoogde dat hernieuwde bewaring niet mogelijk was omdat hij al ruim zes weken in bewaring had gezeten op dezelfde grondslag, verwijzend naar artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening en eerdere jurisprudentie. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat uit de Dublinverordening en jurisprudentie van het Hof van Justitie niet volgt dat een vreemdeling niet opnieuw in bewaring kan worden gesteld voor dezelfde overdracht.
De Afdeling stelde vast dat de eerdere bewaring was opgeheven vanwege weigering mee te werken aan een coronatest en dat er ruim acht weken tussen de eerdere opheffing en de nieuwe bewaring waren verstreken, waarin de vreemdeling vrij was en had kunnen terugkeren naar Zwitserland. Ook werd meegewogen dat de vreemdeling tijdens de huidige bewaring opnieuw de overdracht bemoeilijkt door de coronatest te weigeren. De grief van de vreemdeling faalde, het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de hernieuwde bewaring bevestigd.