ECLI:NL:RBDHA:2026:3843
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf als familie- of gezinslid bij zoon met Eritrese nationaliteit
Eiseres, met de Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland om bij haar zoon te verblijven, die sinds 2015 een verblijfsvergunning asiel heeft. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat er geen gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestaat en het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is, aangezien de zoon in zijn eigen onderhoud voorziet en geen bijkomende afhankelijkheid bestaat.
Eiseres voerde in beroep aan dat het jongvolwassenenbeleid wel van toepassing is vanwege de noodgedwongen vlucht van haar zoon en dat er bijkomende afhankelijkheid is. Ook stelde zij dat de hoorplicht in bezwaar was geschonden. De rechtbank oordeelde dat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is omdat de zoon al ruim tien jaar zelfstandig in Nederland woont en werkt, en dat de minister terecht rekening hield met het lange tijdsverloop en de zelfstandigheid van de zoon.
Verder concludeerde de rechtbank dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn, aangezien de relatie tussen moeder en zoon als gebruikelijk wordt beschouwd en er geen bewijs is van specifieke afhankelijkheid, financieel of emotioneel. De rechtbank vond ook dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was en er geen reden was de zitting uit te stellen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter B. van Dokkum op 2 februari 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag mvv als familie- of gezinslid wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.