ECLI:NL:RBDHA:2026:3839

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
NL25.63121
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 31 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 3:46 AwbArt. 8:72 lid 4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens ondeugdelijke motivering over willekeurig geweld in Syrië

Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 18 mei 2024 een asielaanvraag in die door verweerder op 17 december 2025 werd afgewezen. De rechtbank beoordeelde het beroep van eiser tegen deze afwijzing. Verweerder motiveerde onvoldoende waarom de laagste gradatie van willekeurig geweld in Syrië van toepassing zou zijn, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 11 december 2025 waarin werd geoordeeld dat ook humanitaire omstandigheden, direct of indirect veroorzaakt door een actor in een gewapend conflict, moeten worden betrokken bij de beoordeling. Verweerder had deze omstandigheden niet adequaat meegenomen, wat een motiveringsgebrek oplevert.

Verweerder baseerde zich onder meer op het EUAA-rapport van december 2025 en gegevens over terugkeer van ontheemden, maar deze bronnen rechtvaardigen volgens de rechtbank geen afwijking van de eerdere uitspraak. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak.

Daarnaast krijgt eiser een proceskostenvergoeding van €1.868,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om de overige beroepsgronden te behandelen, omdat het motiveringsgebrek het besluit reeds onhoudbaar maakt.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ondeugdelijke motivering en draagt op tot een nieuw besluit binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63121 (beroep)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft ondeugdelijk gemotiveerd waarom de laagste gradatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn in Syrië van toepassing is. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2025. De verwijzing van verweerder naar de Country Guidance Syrië van de EUAA van december 2025 vormt geen aanleiding om af te wijken van de uitspraak van 11 december 2025. Uit dit rapport blijkt niet dat de humanitaire omstandigheden in Ruraal Damascus minder ernstig zijn dan in andere delen van Syrië. Nu verweerder heeft nagelaten de humanitaire omstandigheden in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te beoordelen, is sprake van een motiveringsgebrek. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 18 mei 2024 een asielaanvraag ingediend. Hij heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [datum] 1984. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 17 december 2025 afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft op 24 december 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, Z. Hamawandi als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij tot 2012 in militaire dienst heeft gezeten. Na een incident bij een controlepost is hij gevangengenomen door de oppositie. Na een maand heeft hij weten te ontsnappen en is hij naar Jordanië gegaan. Daar heeft hij gewoond en gewerkt, om vervolgens in 2023 naar Rusland te gaan. Vanuit daar is hij Europa binnengekomen. Per toeval heeft hij een video gevonden waarin is te zien dat hij wordt aangehouden door de oppositie. Hierdoor denkt hij te worden beschouwd als aanhanger van het regime van Assad. Ook heeft hij online gevonden dat hij een reisverbod heeft, omdat hij in het verleden als ambtenaar heeft gewerkt in Syrië en omdat hij eerder werd gezocht door de militaire inlichtingendienst. Hij stelt dat er een teken bij zijn naam staat vanwege een spraakmemo van iemand die in huidige regering zit. Bij terugkeer naar Syrië vreest hij voor de huidige regering, die hij kenmerkt als de (voormalige) oppositie. Ook vreest hij te worden aangehouden en verhoord.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
  • Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • Eisers problemen met de (voormalige) oppositie en daarmee de huidige regering.
4.1.
Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig.
4.2.
De geloofwaardig bevonden asielmotieven acht verweerder niet zwaarwegend genoeg. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico op ernstige schade loopt. Daarbij betrekt verweerder dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Aan de hand van eisers verklaringen is niet gebleken dat hij vanwege zijn individuele omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
4.3.
Verweerder wijst de asielaanvraag daarom af als ongegrond als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vw en draagt eiser daarbij op Nederland binnen vier weken te verlaten.
Heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade?
5. Op 11 december 2025 [1] heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië op dit moment de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat ook humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict, moeten worden betrokken in de beoordeling.
6. Eiser heeft aangegeven dat deze uitspraak van 11 december 2025 op hem van toepassing is en dat het bestreden besluit daarom niet in stand kan blijven. Hij stelt zich op het standpunt dat verweerder in de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn [2] , ten onrechte de humanitaire omstandigheden niet heeft meegenomen. Niet alleen de humanitaire omstandigheden die het gevolg zijn van oorlogstactiek of het oogmerk hebben groepen burgers te raken zijn volgens eiser in dat kader relevant, maar ook de humanitaire omstandigheden die een direct of indirect gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is of is geweest bij een gewapend conflict.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de regio Ruraal Damascus, waar eiser stelt vandaan te komen, sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld. Daarbij verwijst hij naar de brief van de Tweede Kamer van 10 juni 2025 [3] waarin dit nader is toegelicht. Ook verwijst verweerder in aanvulling op het bestreden besluit naar het rapport van de EUAA van 2 december 2025 (hierna: EUAA-rapport) [4] . Uit dat rapport blijkt dat zich in Ruraal Damascus nog steeds veiligheidsincidenten voordoen, maar dat deze in aantallen en burgerslachtsoffers sinds maart 2025 afnemen. Ook keert een hoog aantal Syriërs terug naar hun gebied van herkomst, met name ook naar Ruraal Damascus. Verder verwijst verweerder naar gegevens van de UNHCR [5] over vrijwillige terugkeer van ontheemden naar Syrië vanuit buurlanden. Een groot deel daarvan keert terug naar Ruraal Damascus. Bovendien is de uitstroom van ontheemden uit Ruraal Damascus sinds de machtsovername gering en lijkt deze hoofdzakelijk het gevolg van een incidentele geweldsuitbarsting. Ook geldt deze provincie als ontvangstgebied voor ontheemden, zijn ontheemden aldaar niet verstoken van iedere vorm van hulp en heeft dit niet tot oplaaiing van geweld geleid. Tot slot betrekt verweerder dat niet is gebleken dat er sinds de machtsovername nieuwe explosieven zijn geplaatst in Ruraal Damascus. Ook werken verschillende NGO’s actief samen om de gevaren van explosieve oorlogsresten te beperken en zijn slachtoffers van ontplofbare oorlogsresten en mijnen specifiek in Ruraal Damascus sinds december 2024 beperkt tot maximaal 15 slachtoffers per maand. Dat in de toekomst sprake zal zijn van een grote toename van het aantal slachtsoffers van ontplofbare oorlogsresten en mijnen in Ruraal Damascus, is dan ook niet te verwachten.
7.1.
Voorts stelt verweerder zich wat betreft de humanitaire situatie in Syrië op het standpunt dat deze niet of nauwelijks te wijten is aan een (actor die partij is bij een) lopend gewapend conflict. Verweerder verwijst naar twee uitspraken van andere zittingsplaatsen van deze rechtbank [6] . Daarbij merkt verweerder op dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2025. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is, dat de verslagperiode van het algemeen ambtsbericht Syrië van mei 2025 daarvoor een te korte periode beslaat en uit meerdere andere bronnen blijkt dat de veiligheidssituatie fragiel, slecht en onduidelijk is. [7] De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitspraak van 11 december 2025 ook van toepassing is op de zaak van eiser.
8.1.
Ten aanzien van de verwijzing van verweerder naar het EUAA-rapport, overweegt de rechtbank als volgt. In dat rapport concludeert de EUAA dat er sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld in Ruraal Damascus [8] . De rechtbank vindt de verwijzing naar dit rapport echter onvoldoende om af te wijken van de uitspraak van 11 december 2025. In die uitspraak is ook landeninformatie betrokken die ziet op de humanitaire situatie in Syrië. Eiser heeft er terecht op gewezen dat verweerder in het bestreden besluit de humanitaire situatie in Syrië ten onrechte niet heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Zoals deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 11 december 2025 heeft overwogen [9] zijn ook de humanitaire omstandigheden relevant welke direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict. Daar komt bij dat uit het EUAA-rapport niet blijkt dat de humanitaire situatie in Ruraal Damascus minder ernstig is dan in andere delen van Syrië [10] . Ook in het bericht van UNHCR van 8 december 2025 wordt benadrukt dat van gedwongen terugkeer van vluchtelingen moet worden afgezien gelet op de slechte humanitaire omstandigheden en omdat de situatie in Syrië nog steeds fluïde is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat – ondanks de aanvullende motivering ten opzichte van het besluit waarop de uitspraak van 11 december 2025 betrekking had – sprake is van een motiveringsgebrek.
8.2.
Nu verweerder ook in het bestreden besluit heeft nagelaten de humanitaire situatie in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te beoordelen, is reeds sprake van een motiveringsgebrek en dient het besluit te worden vernietigd.
8.3.
De rechtbank kan zonder een goed gemotiveerd standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië ook niet beoordelen wat voor individuele omstandigheden nodig zijn om tot een reëel risico op ernstige schade te komen. De rechtbank ziet daarin dus geen aanleiding om nu een oordeel te geven over het al dan niet aanwezig zijn van individuele omstandigheden. Aan een beoordeling van de overige beroepsgronden komt de rechtbank dan ook niet meer toe.
Wat is de conclusie?
9. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom de asielaanvraag is afgewezen als ongegrond. Het beroep van eiser is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Awb [11] . Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 17 december 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.P. van Brunschot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011.
3.Kamerstukken II 2024/25, 19637, nr. 3435.
4.EUAA: Country Guidance Syria, Comprehensive update, 2 december 2025.
5.UNHCR, Syria Governorates of Return Overview (As of 11 Dec 2025).
6.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466, r.o. 11.1 en rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, 1 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22984, r.o. 13.
7.Zie uitspraak van 11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23822, r.o. 8.5.
8.EUAA: Country Guidance Syria, Comprehensive update, 2 december 2025, p. 86.
9.Zie uitspraak van 11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23822, r.o. 8.4.3.3.
10.EUAA: Country Guidance Syria, Comprehensive update, 2 december 2025, p. 85.
11.Algemene wet bestuursrecht.