ECLI:NL:RBDHA:2026:3828

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
AWB 25/16212 en AWB 25/16214
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 20 VWEUArt. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 3 AwbVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan wegens marginale zorg- en opvoedingstaken niet onrechtmatig

Eiser, een Ghanese gemeenschapsonderdaan, betwist het besluit van de minister van Asiel en Migratie dat zijn verblijfsrecht is beëindigd omdat hij niet langer voldoet aan de voorwaarden van het arrest Chavez-Vilchez. Eiser voerde aan dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht voor zijn Nederlandse dochter en dat zijn ex-partner de omgang frustreert.

De rechtbank heeft beoordeeld dat uit de overgelegde zorgregeling, bankafschriften en communicatie blijkt dat het zwaartepunt van de zorg bij de moeder ligt en dat eiser slechts marginale zorg- en opvoedingstaken verricht. Ook is niet gebleken dat de ex-partner de omgang frustreert. De rechtbank concludeert dat eiser niet voldoet aan de vereisten voor behoud van verblijfsrecht.

Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de belangenafweging tussen het gezinsleven van eiser en het Nederlandse toelatingsbeleid zorgvuldig is gemaakt en niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het beëindigen van het verblijfsrecht wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/16212 en AWB 25/16214
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Ayar),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling door verweerder dat zijn verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan is geëindigd en beoordeelt de voorzieningenrechter eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 22 mei 2025 vastgesteld dat eisers verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan is geëindigd. Met het bestreden besluit van 21 juli 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder hierbij gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D.R.J. Ankomah als tolk (Engels), en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Ghanese nationaliteit. Eiser heeft eerder verblijfsrecht gehad als verzorgende ouder bij zijn Nederlandse dochter, [naam]. De relatie van eiser met de moeder van [naam] is inmiddels geëindigd en eiser staat niet langer ingeschreven op hetzelfde adres als de ex-partner en [naam].
2.1.
Verweerder heeft vastgesteld dat eiser niet meer voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez [1] en daarom geen rechtmatig verblijf meer heeft als gemeenschapsonderdaan. [2] Eiser verricht namelijk niet meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken voor [naam]. Daarnaast is volgens verweerder niet aannemelijk dat [naam] zodanig van eiser afhankelijk is dat zij gedwongen wordt het grondgebied van de Europese Unie te verlaten door de beëindiging van eisers verblijfsrecht. Verweerder heeft aangenomen dat eiser met [naam] gezinsleven en daarnaast privéleven heeft in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. [3] Verweerder heeft daarom de belangen van eiser afgewogen tegen die van de Nederlandse staat en geconcludeerd dat de belangen van de staat zwaarder wegen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Eiser verzoekt allereerst het bestreden besluit
ex nuncte toetsen. Eiser betoogt dat de zorg- en opvoedingstaken die hij verricht niet marginaal zijn. Hij heeft namelijk een sterke band met [naam], levert financiële bijdragen en is bereid meer taken op zich te nemen. Ook als de zorg- en opvoedingstaken marginaal zijn, kan dit hem niet worden tegengeworpen, omdat zijn ex-partner de omgang frustreert. Zij is namelijk zonder eisers toestemming naar een andere stad verhuisd en weigert eiser toe te staan meer betrokken te zijn. Daarnaast mag het eiser niet excessief moeilijk worden gemaakt om te bewijzen dat [naam] door zijn vertrek gedwongen zou worden mee te gaan naar Ghana. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM in zijn voordeel uit moest vallen. Eiser wijst erop dat hij geen gevaar vormt voor Nederland en dat als [naam] naar Ghana moet verhuizen, zij haar moeder niet meer kan zien.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het arrest Chavez-Vilchez
4. Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat artikel 20 van Pro het VWEU [4] zich verzet tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat aan Unieburgers het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste rechten die aan hun status van Unieburger zijn verbonden. Daarvan is onder andere sprake als een onderdaan van een derde land niet mag verblijven in een lidstaat waar zijn minderjarige kind met de nationaliteit van die lidstaat verblijft, en als gevolg van die ontzegging het kind gedwongen wordt het grondgebied van de EU te verlaten. Hiervoor moet worden bepaald welke ouder de daadwerkelijke zorg heeft over het kind en of er een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen het kind en de ouder die onderdaan is van een derde land.
5. In geschil is of eiser daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht en of sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en [naam] dat zij door de beëindiging van eisers verblijfsrecht gedwongen wordt het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. In de beroepsfase heeft eiser nog verschillende stukken overgelegd met betrekking tot de zorg- en opvoedingstaken die eiser verricht. Het gaat om een beschikking van de kinderrechter van 8 december 2025 waarin een nieuwe zorgregeling is vastgesteld en verschillende bankafschriften en WhatsAppberichten waaruit volgt dat eiser in de periode van juni tot en met november 2025 kinderalimentatie heeft betaald aan de moeder van [naam]. Omdat partijen het erover eens zijn dat deze stukken betrokken kunnen worden bij de beoordeling en dit naar het oordeel van de rechtbank ook nodig is, zal de rechtbank deze stukken betrekken in haar beoordeling.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van het arrest Chavez-Vilchez. Verweerder mocht namelijk concluderen dat uit de tot dan toe overgelegde stukken niet blijkt dat eiser meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht voor [naam]. Uit de ‘Child Support Agreement Letter’ volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het zwaartepunt van de zorg- en opvoedingstaken bij de moeder van [naam] ligt. Op basis van deze regeling zag eiser zijn dochter namelijk één dag per twee weken. Verder volgt uit de stukken dat eiser iedere maand € 200,- bijdraagt aan de zorg voor [naam] en blijkt uit de overgelegde WhatsAppberichten dat eiser en zijn dochter geregeld (video)bellen. Mede gelet op de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 28 juli 2021, die verweerder heeft aangehaald, laat omgang van deze aard en intensiteit zich niet kwalificeren als meer dan marginale zorg- en opvoedtaken. [5] Gelet op het voorgaande heeft verweerder ook kunnen stellen dat er niet is gebleken van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en [naam] dat zij door de beëindiging van eisers verblijfsrecht gedwongen wordt het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het hem excessief moeilijk wordt gemaakt aan te tonen dat [naam] wel gedwongen wordt het grondgebied te verlaten.
6.1.
Ook uit de zorgregeling van 8 december 2025 volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht. Op basis van deze regeling ziet eiser [naam] één middag in de week op vrijdag of zondag. Als eiser in de toekomst een geschikte woonruimte heeft, zal [naam] ook eens in de twee weken bij eiser logeren. Weliswaar ziet eiser [naam] onder deze zorgregeling vaker ten opzichte van de eerdere afspraken, maar ook hiermee is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan het vereiste van meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken. De kinderalimentatie die is vastgelegd met de nieuwe zorgregeling en volgt uit de bankafschriften, volgde ook al uit de eerdere afspraken en verandert het oordeel daarom ook niet.
7. Het betoog dat de ex-partner van eiser de omgang met [naam] frustreert, slaagt niet. Niet is gesteld of gebleken dat de ex-partner zich niet aan de op dit moment geldende zorgregeling houdt. Voor zover zij door eiser verzochte omgangsmomenten heeft geweigerd, heeft eiser ook erkend dat zij wel steeds een andere datum heeft voorgesteld. Dat zij naar een andere stad is verhuisd, maakt niet dat zij de omgang frustreert. Uit de beschikking van 8 december 2025 volgt daarnaast dat eiser en zijn ex-partner overeenstemming hebben bereikt over de nieuwe zorgregeling. Het betoog dat de ex-partner weigert mee te werken aan een nieuwe zorgregeling, slaagt dus ook niet.
Artikel 8 van Pro het EVRM
8. Verweerder heeft aangenomen dat eiser gezinsleven heeft met [naam] en moest daarom de belangen van eiser en [naam] afwegen tegen de belangen van de Nederlandse staat. Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder bij deze belangenafweging een “fair balance” moet vinden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang bij een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. [6] De rechtbank moet de gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend toetsen en beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken. [7]
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken in de belangenafweging en zich op het standpunt mocht stellen dat het beëindigen van het verblijfsrecht van eiser niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Zo heeft verweerder betrokken dat het niet gaat om intensief gezinsleven en dat eisers vertrek slechts een geringe inbreuk op het gezinsleven maakt. Ook heeft verweerder betrokken dat het mogelijk is het gezinsleven op afstand in te vullen en dat er geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Ghana uit te oefenen, als dit de keuze van de ouders zou zijn. Eisers betoog dat als [naam] naar Ghana verhuist, zij haar moeder niet meer kan zien, doet hier niet aan af. Zoals hiervoor besproken is namelijk niet gebleken dat [naam] door de beëindiging van eisers verblijfsrecht gedwongen zal worden met eiser mee te verhuizen naar Ghana. Ook het belang van het kind heeft verweerder voldoende in de afweging betrokken door mee te nemen dat de zorg voor [naam] kan worden voortgezet door haar moeder. Dat eiser geen gevaar vormt voor Nederland, hoefde ook niet tot een andere uitkomst van de belangenafweging te leiden. Eiser heeft verder niet gewezen op specifieke omstandigheden die onvoldoende zijn meegewogen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
11. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit. [8]
12. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 in de zaak C-133/15, Chavez-Vilchez en anderen (ECLI:EU:C:2017:354).
2.Zie artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1650.
6.Onder meer uiteengezet in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:73 en 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:974.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:964.
8.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.