Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn asielaanvraag van 3 april 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister ondanks verzoeken niet binnen een redelijke termijn heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Zij verwijst naar het '8+8 wekenmodel' van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en oordeelt dat bij overschrijding van de bovengrens van 21 maanden een kortere beslistermijn passend is. Daarom legt de rechtbank een termijn van acht weken op waarbinnen de minister alsnog moet beslissen.
Indien de minister deze termijn overschrijdt, wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.