ECLI:NL:RBDHA:2026:3710

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
25/1853
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.8 Bouwbesluit 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Invordering dwangsom wegens niet-verwijderde airco-unit ondanks medische omstandigheden

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de invordering van een dwangsom opgelegd aan eiser vanwege het niet verwijderen van een airco-unit op het dak van zijn pand zonder geldige omgevingsvergunning.

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag had de dwangsom opgelegd nadat eiser niet aan de last had voldaan. Eiser voerde aan dat het vanwege een epileptische aanval en de krapte op de arbeidsmarkt onmogelijk was om tijdig een gecertificeerde monteur te vinden om de airco-unit te verwijderen.

De rechtbank oordeelt dat het college de dwangsom terecht heeft ingevorderd. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij door zijn medische situatie of het vinden van een monteur niet in staat was de last tijdig uit te voeren. Ook het argument dat er zicht was op legalisatie van de airco-unit faalt, omdat de overtreding op het moment van invordering nog bestond.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het invorderingsbesluit in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de invordering van de dwangsom wegens het niet tijdig verwijderen van de airco-unit en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1853

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de invordering van een dwangsom. Het college heeft eiser een last onder dwangsom opgelegd, met als strekking dat eiser de airco-unit op het dak van het pand van eiser op de [adres 1] in [plaats] moest verwijderen. Het college heeft geconstateerd dat eiser niet aan de last heeft voldaan en heeft de verbeurde dwangsom daarom ingevorderd. Eiser is het niet eens met de invordering van de dwangsom. Hij voert aan dat het niet mogelijk was om op korte termijn een monteur te vinden die het gas van de airco-unit kon verwijderen. Daar komt bij dat eiser vanwege medische omstandigheden zijn besef van tijd verloren was. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het invorderen van de dwangsom door het college.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de dwangsom mocht invorderen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 28 februari 2024 heeft het college een handhavingsbesluit genomen vanwege een niet vergunde airco-unit geplaatst op het dak van het pand op de [adres 1]. Daarbij is eiser een last onder dwangsom opgelegd. Op 13 augustus 2024 heeft het college besloten de dwangsom van € 2.500,- in te vorderen (het invorderingsbesluit), nadat het college eiser op 23 juli 2024 op de hoogte had gesteld van het voornemen daartoe. Het college heeft op 11 februari 2025 besloten bij de invordering te blijven en het bezwaar dat eiser tegen het invorderingsbesluit had gemaakt ongegrond te verklaren (het bestreden besluit).
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser woont op de [adres 1] in [plaats]. Op 3 augustus 2021 heeft een inspecteur van de Haagse Pandbrigade geconstateerd dat op het dak van het pand van eiser een airco-unit is geplaatst zonder omgevingsvergunning. Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd welke op 23 maart 2022 van rechtswege is verleend. De bewoner van het naastgelegen pad op de [adres 2] heeft bezwaar gemaakt tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning en het college verzocht om handhavend op te treden. Bij besluit van 28 februari 2024 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de airco-unit, vanwege de daardoor veroorzaakte geluidsbelasting van 56 dB(A) ter plaatse van de op minder dan 1 meter gelegen gevel van het naastgelegen pand, in strijd is met artikel 3.8 van het Bouwbesluit 2012. Het college heeft de van rechtswege ontstane omgevingsvergunning herroepen, deze alsnog geweigerd en een last onder dwangsom opgelegd. Eiser moest de overtreding voor 15 april 2024 beëindigen.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 28 februari 2024 en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het beroep ongegrond verklaard en de voorlopige voorziening getroffen dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot 6 juni 2024. [1]
3.2.
Op 16 juli 2024 heeft een inspecteur van de Haagse Pandbrigade geconstateerd dat de airco-unit nog steeds aanwezig was op het dak van eiser en dat de overtreding niet was beëindigd. Vervolgens heeft het college het invorderingsbesluit genomen.
3.3.
De Adviescommissie bezwaarschriften heeft op 20 januari 2025 geadviseerd het bezwaar van eiser gegrond te verklaren. De commissie is van oordeel dat, gelet op de medische situatie van eiser vrijwel daags na de uitspraak van de voorzieningenrechter, het college de zienswijze van eiser van 5 augustus 2024 op het concept van het invorderingsbesluit had moeten opvatten als een verzoek tot verdere verlenging van de begunstigingstermijn. De commissie heeft het college verder geadviseerd het besluit te herroepen en de reeds betaalde dwangsom te restitueren.
3.4.
In afwijking van het advies heeft het college bij het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
Beginselplicht tot invordering
4. Een bestuursorgaan dat een last onder dwangsom oplegt, is in beginsel gehouden de dwangsom in te vorderen (de zogenoemde beginselplicht tot invordering). Volgens vaste rechtspraak moet bij een besluit over de invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een groot gewicht worden toegekend. [2] Een andere opvatting doet af aan het gezag dat hoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. [3] Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Bijzondere omstandigheden doen zich bijvoorbeeld voor wanneer de last onuitvoerbaar is. [4] Financiële en gezondheidsredenen hoeven niet aan uitvoerbaarheid van de last in de weg te staan. [5] Zijn er bijzondere omstandigheden die in de weg staan aan invordering van de dwangsom?
5. Eiser voert aan dat het door de krapte op de arbeidsmarkt en de vakantieperiode lastig was om een monteur met de juiste certificering te vinden die het gas kon afkoppelen, alvorens de airco-unit gedemonteerd kon worden. Eiser had enkele contacten gelegd, voordat hij op 26 mei 2024 een epileptische aanval kreeg. Op 6 juni 2024 was eiser hiervan nog herstellende, waardoor het tijdsbesef van de aircoverwijdering hem was ontschoten. Hij heeft de dwangsom inmiddels betaald en heeft zijn uiterste best gedaan om de airco-unit voor 2 september 2024 te verwijderen. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser zo dat hij bedoelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het college van de invordering van de dwangsom moet afzien.
5.1.
Het college vindt dat de epileptische aanval die eiser op 26 mei 2024 heeft gehad niet maakt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden. Eiser werd eerder bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener. Op 4 juni 2025 heeft eiser een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning voor de unit ingediend. Het college gaat ervan uit dat, als eiser een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft kunnen indienen, hij ook om verlenging van de begunstigingstermijn had kunnen vragen. Voor zover de bezwaarschriftencommissie stelt dat de zienswijze van 5 augustus 2024 moest worden opgevat als een verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn, volgt het college dit niet. Op dat moment was de begunstigingstermijn namelijk al verlopen, waardoor deze niet meer kon worden verlengd. Bovendien had eiser er vanaf de zitting bij de voorzieningenrechter op 8 mei 2024 al rekening mee kunnen houden dat de last in stand zou blijven. Uit niets blijkt dat eiser heeft getracht om tot concrete afspraken te komen met een monteur, aldus het college.
5.2.
Het college heeft terecht in wat eiser aanvoert geen aanleiding gezien om wegens bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk van de invordering af te zien. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
5.3.
Eiser heeft zijn stelling dat het onmogelijk was om op korte termijn een gecertificeerde monteur te vinden die het gas van de airco-unit kon afkoppelen niet met stukken onderbouwd. Dat had hij bijvoorbeeld kunnen doen door e-mails of WhatsAppberichten over te leggen waaruit zou blijken dat hij monteurs benaderd heeft, maar dergelijke berichten zitten niet in het dossier. Daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van overmacht niet in staat was om de airco-unit tijdig te verwijderen. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat eiser als gevolg van zijn medische omstandigheden niet in staat was de airco-unit te verwijderen. De rechtbank begrijpt dat eiser erg geschrokken was van de epileptische aanval op 26 mei 2024 en dat hij tijd nodig heeft gehad om hier van te herstellen. Hoe vervelend deze situatie voor eiser echter ook was, de rechtbank kan in het dossier geen onderbouwing vinden – bijvoorbeeld in de vorm van medische stukken – dat hij als gevolg van de epileptische aanval niet in staat was om de airco-unit weg te (laten) halen, dan wel om verlenging van de begunstigingstermijn te vragen bij het college.
6. Eiser voert verder aan dat het college miskent dat er concreet zich op legalisatie bestond. Eiser heeft namelijk op 23 maart 2022 reeds contact gehad met [adviesbureau] over een aangepast ontwerp waarmee de airco-unit wel aan de geldende regelgeving voldoet. Eiser heeft uiteindelijk op 1 april 2025 een omgevingsvergunning ontvangen op zijn aanvraag van 4 juni 2024.
6.1.
Dit betoog slaagt niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
6.2.
Eiser verwijst in de aanvullende gronden van 7 november 2025 naar een e-mail van 23 maart 2022 om aan te tonen dat er concreet zicht was op legalisatie van de airco-unit. Daarover overweegt de rechtbank dat eiser dit in de procedure tegen het opleggen van de last onder dwangsom had kunnen en moeten aanvoeren. In de huidige procedure gaat het alleen nog om de invordering van de last onder dwangsom ten aanzien van een reeds begane overtreding. De rechtmatigheid van de opgelegde last onder dwangsom kan in het kader van de toetsing van het invorderingsbesluit in beginsel niet meer aan de orde komen. Overigens bevindt zich in het dossier alleen een e-mail van 23 maart 2022 van eiser gericht aan [adviesbureau], waarin eiser deze vraagt om een offerte uit te brengen “om de gemeente te overtuigen”. Hieruit kan niet worden afgeleid dat er concreet zicht bestond op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de airco-unit zoals die op dat moment geplaatst was. Dat eiser op 4 juni 2024 een nieuwe aanvraag heeft ingediend voor een aangepaste situatie, met een andere plaatsing van de unit en een scherm tegen geluidhinder, die vervolgens op 1 april 2025 heeft geleid tot een omgevingsvergunning, brengt verder geen verandering in de omstandigheid dat de eerdere overtreding, naar aanleiding waarvan het college de last onder dwangsom had opgelegd, op 16 juli 2024 nog niet was beëindigd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het besluit tot invordering van de verbeurde dwangsom in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr.F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van 16 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7336.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:751.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466 en van 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:304.
4.Zie de uitspraken van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1405, r.o. 2.5 en
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:378, r.o. 12.3.