Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de invordering van een dwangsom opgelegd aan eiser vanwege het niet verwijderen van een airco-unit op het dak van zijn pand zonder geldige omgevingsvergunning.
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag had de dwangsom opgelegd nadat eiser niet aan de last had voldaan. Eiser voerde aan dat het vanwege een epileptische aanval en de krapte op de arbeidsmarkt onmogelijk was om tijdig een gecertificeerde monteur te vinden om de airco-unit te verwijderen.
De rechtbank oordeelt dat het college de dwangsom terecht heeft ingevorderd. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij door zijn medische situatie of het vinden van een monteur niet in staat was de last tijdig uit te voeren. Ook het argument dat er zicht was op legalisatie van de airco-unit faalt, omdat de overtreding op het moment van invordering nog bestond.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het invorderingsbesluit in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.