Eiser is op 1 november 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld en heeft hiertegen beroep ingesteld met het verzoek om opheffing van de maatregel en schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat de maatregel tot 16 januari 2026 rechtmatig was, zodat nu alleen de periode daarna wordt beoordeeld.
Eiser betoogt dat hij al vijf en een halve maand in bewaring zit zonder uitzicht op uitzetting naar Marokko, dat de minister onvoldoende voortvarend is en dat hij een coöperatieve houding aanneemt. De rechtbank stelt vast dat de termijn van zes maanden voor een verzwaarde belangenafweging nog niet is bereikt en dat de minister voldoende inspanningen verricht, waaronder rappels en vertrekgesprekken.
De rechtbank oordeelt dat het zicht op uitzetting naar Marokko niet ontbreekt en dat eiser niet volledig meewerkt. Ook is geen sprake van een lichter middel dat volstaat en is onvoldoende onderbouwd dat de medische situatie van eiser een andere beoordeling rechtvaardigt.
Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.