In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een procedure over de maatregel van bewaring van een Marokkaanse vreemdeling. De eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. A.W.J. van der Meer, had beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 1 november 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 16 januari 2026, waarbij de eiser en zijn gemachtigde niet verschenen, maar de minister zich liet vertegenwoordigen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring eerder rechtmatig was bevonden in een uitspraak van 28 november 2025. De beoordeling in deze procedure richtte zich op de rechtmatigheid van de maatregel sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 21 november 2025. De rechtbank overwoog dat de minister voldoende inspanningen had verricht om zicht op uitzetting te bewerkstelligen, ondanks dat de lp-aanvraag van de eiser al drie maanden in behandeling was zonder concrete voortgang. De rechtbank concludeerde dat er geen redenen waren om te oordelen dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was.
Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep van de eiser ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.